m 3Cerótmió gestolen Portefeuille eu kei Jierstfeest vau de Ctrmeu FEEST VAN WIJSHEID KERSTLIED NUMMER 22 34E JAARGANG ZATERDAG 26 DECEMBER 1953 VERSCHIJNT WEKELIJKS KENT DE MENS, DIE ZOVEEL WEET, ZICHZELVE NOG? Kerstverhaal door Johan van Tiel O H M S 1 Door haar rijkdom aan Hamamelis staat Hamea-Gelei bij handverzor ging vér bovenaan Royale tube 95 ct UITGAVE L. KASSTEEN MARKT IMidclaH, -JZimbura IK KT 28, PANNINGEN - REDACTIE EN ADMINISTRATIE: POSTBUS 2, PANNINGEN, TELEFOON K 4760-492 - GIRO 15718 - REDACTIE H. KASSTEEN Abonnementsprijs 5.- per jaar bij vooruitbetaling Advertenties 10 ct per mm, bij contract belangrijke reductie Kleine advertenties (te koop e.d.) minimum 50 ct, uitsluitend bij vooruitbetaling Het gebeuren in de Kerstnacht, de wonderlijke geboorte van het Christenkind, is door de eeuwen heen voor kunstenaars in alle landen een rijke bron van inspiratie ge weest. De grootste meesters in de beeldende kunst hebben op een hun eigen wijze en in de trant van de tijd waarin zij leefden, de blijde geboorte uitgebeeld. Bovenstaande afbeelding is een reproductie naar een schilderij van een Indisch kunstenaar, die de Geboorte van Christus geschilderd heeft in een typisch Indisch landschap. Als na een dag vol inspanning en moeite de nacht een sluier trekt over de aarde en alles in effen duisternis verbergt, dan lijkt het of de tijd terug gaat naar het gulden uur der mensheid. De moei te, waarmee wij alles hebben voorbereid om in kerk en huisgezin de geboorte van het Christus kind te vieren, wordt dan tot vergetelheid in de weinige uren dat de slaap ons rust gunt. Met hoeveel inspanning wij ook het voor ons moge lijke hebben gedaan om Kerstmis tot een echt feest te maken, de grootte van deze inspanning verdwijnt in het niet bij de gedachte aan het grote gebeuren van Kerstmis. En als dan de huiver van de nacht doorbroken wordt door de warmte van het gebeier der klokken, dan is het alsof opnieuw een ster verschenen is die ons de weg wijst naar de kribbe. Gelijk de herders in de heuvels rond Bethlehem voelen wij ons bij het spoeden naar de kerk. Slechts één zang is er dan in ons: Gloria in Excelsis Deo. Is het niet wonderlijk dat ieder jaar weer het Kerstfeest zo'n bijzondere werking op ons heeft? De gevoelens die bij dit Hoogfeest in ons opko men, zijn zo geheel anders dan met Pasen en Pinksteren of op enige andere feestdag. Staan wij bij al die feestdagen als toeschouwer van het mystieke gebeuren, met Kerstmis zijn wij met de herders bij de kribbe en zijn met hen en Maria en Jozef vervuld met blijdschap en dank baarheid om de liefde van God, die zich ver nederde in de persoon van Zijn Zoon tussen ons mensen te verkeren. In de kribbe raken we een moment aan de eeuwigheid, want in het Kind zien wij de schakel, die dit leven van ons ver bindt met de tijd na de dood. Het Kerstfeest dat zovele schone tradities van oudsher aan zich verbonden heeft, is niet alleen meer een feest van christenen. Zelfs in kringen waar het bestaan van God en het heerlijk ge beuren van de Kerstnacht, niet meer gekend wor den gaan de Kerstdagen niet onopgemerkt voor bij. Ook daar heerst een blijde stemming en zeker zijn ook in die huiskamers enkele attributen aan wezig van het Kerstfeest, welke ook te vinden zijn in de christelijke gezinnen, maar daar is het geen feest meer om het verheven gebeuren. Het is slechts een feest om de attributen, om de vreugde van een glinsterende kerstboom van geu rend sparrengroen aan de wanden en misschien zelfs om het pittoreske van een kerststal. Ver geten is in die gezinnen waarom een ster naar Bethlehem wees, waar in de naaktheid van een stal Gods goedheid de ketenen van de mens verbrak. Maar zijn wij Katholieken ook niet te zeer ge hecht geraakt aan de vele tradities? Natuurlijk, het is niet verkeerd dat wij met de middelen, welke wij ons kunnen veroorloven, de sfeer van het Kerstfeest in onze huiskamer brengen. Is het echter bij velen van ons niet zo, dat wij uitzien naar het Kerstfeest vooral om al die tradities? Het is immers niet te miskennen dat velen van Daar sjouwen ze nu allemaal weer door de straat. Ginds gaat een man met een reusachtige kerst boom op zijn schouder. Een vrouw volgt hem en draagt voorzichtig een tas, die natuurlijk vol zit met ballen voor die kerstboom. Daarachter schui felt een ventje, dat af en toe links en rechts om de hoeken van een groot pak kijkt, dat hij recht voor zich uit draagt. Daar zit vast een kerststal in. Het ventje wordt op de voet gevolgd door een opzichtige dame, die een pakje met fraaie strik jes gracieus aan haar hand draagt. En zo lopen de mensen maar voort. Allemaal met iets bij zich waarmee ze thuis het Kerstfeest gaan vieren. Je moet er van houden, dacht Eduard van Mal- sem, eigenaar van een bloeiende transportzaak, terwijl hij door twee gordijntjes door spiedend zijn blik over de straat liet gaan. Voor hem kwam er geen sjouwen aan te pas met die dingen om Kerstmis te vieren.. Waarom zou je nu als vrijgezel al die poespas in je huis gaan halen? Nee, dat zou onzin zijn. Eduard hield het maar bij een goed diner in restaurant Neutraal op de eerste Kerstdag, en de volgende dag zou hij dan nog wel zien, wat hij verder ging uitvoeren. Wat het werken betrof was het voor vandaag genoeg. Het personeel was trouwens allang naar huis. Eduard pakte de paperassen op zijn bureau bij elkaar, schoof ze in een lade, en sloot die af. Uit de brandkast nam hij het aanwezige kasgeld, trok zijn jas aan en stond even later op straat tussen al die mensen met pakjes en kerstbomen. Tegen zijn gewoonte in ging hij deze keer niet recht van kantoor naar de garage om zijn auto te halen. De winkels zagen er gezellig uit en daarom besloot hij nu zelf maar even de spullen te gaan kopen, welke hij anders altijd door de loopjongen liet halen. Het deed hem een beetje vreemd aan zo tussen de mensen te slenteren. Lopen had hij niet veel meer gedaan sinds zijn auto hem snel van de ene naar de andere kant van de stad verplaatste. Hij voelde zich gelukkig met het bezit van die auto, want juist nu viel het hem op hoeveel mensen er toch wel alles te voet moeten doen. Cadeau had hij die slee echter niet gekregen. Hij had er hard voor moeten werken. Maar hij had resultaten bereikt. Ook 1953 was voor hem weer een goed jaar geweest. Als het nog een jaar of wat zo goed bleef gaan, zou hij binnen niet al te lang etijd boven Jan zijn. Dan verkocht hij de tent, belegde zijn geld solide en was er plenty tijd om het er eens goed van te nemen. Misschien zou hij dan weer net als vroe ger niet altijd aan zaken denken en tijd hebben voor andere dingen. Nu ging dat niet, want al zijn tijd werd door zijn zaken in beslag genomen. Natuurlijk, hij zou nu met Kerstmis wel naar de kerk kunnen gaan, zoals vroeger. Maar nee, dat deed hij niet, want op andere dagen had hij ook geen tijd voor godsdienst. En alleen op Kerstmis naar de kerk gaan vond Eduard huichelarij. Onder al deze bespiegelingen door was hij aan gekomen bij de drogisterij van Mermans. Geluk kig er was niemand in de winkel, want aan wachten had hij een hekel. En de bediening ging ook vlot, zodat Eduard alweer de winkel uit stapte, toen juist de volgende klant, een arme tierig duf-ruikend mannetje, binnen kwam. Edu ard vervolgde zijn weg tussen de mensen, die niet uitgekocht schenen te raken. Waar haalden al die lui toch het geld vandaan voor al die in kopen. Waarschijnlijk uit de schuld, die zij bij bakker, melkboer en slager maken, dacht Edu ard, terwijl hij de deur van de sigarettenwinkel open duwde. Twee pakjes sigaretten lagen al op de toonbank, zodra de winkelier Eduard zag. Eduard deed een greep in de binnenzak van zijn winterjas. Vreemd, aan de linkerkant zat de portefeuille niet en daar stopte hij hem toch altijd in. In de rechterzak was hij ook niet. Ter wijl Eduard een beetje nerveus werd onder het zoeken, begon de winkelier zijn dagelijks weer- praatje. Juist toen de man begonnen was aan de weersverwachting voor Kerstmis, constateerde Eduard, dat zijn portefeuille verdwenen was. Hij deelde dit de winkelier mede, die als een goede verkoper hem wat op zijn gemak stelde met de raad nog maar eens goed te zoeken. Maar het was vergeefse moeite, de portefeuille was en bleef verdwenen. Nieuwsgierig informeerde de man achter de toonbank of er veel inzat. Ruim zeven honderd en vijftig gulden, antwoordde Eduard, terwijl hij voor de laatste maal» in zijn binnen zak voelde. De winkelier stelde voor direct de politie te bellen maar Eduard vond het verstan diger even terug te gaan naar de drogist. Want daar had hij nog betaald met geld uit de porte feuille. De sigaretten kon hij wel meenemen, dat geld kwam wel goed, probeerde de winkelier een beetje troostend te laten horen. Eduard spoedde zich naar de drogist. Dat was me nu wat moois. Dat dit hem nu juist voor Kerstmis moest overkomen. Wat moest hij be ginnen als dat geld niet terecht kwam. Alle ban ken waren immers gesloten. En aankloppen bij vrienden deed hij uit principe niet. Bij de drogist was hij weer de .enige klant. Eduard vertelde hem van het verlies van zijn portefeuille en toen hij op de vraag van de drogist antwoordde, hoeveel er in zat, verschoot de man zichtbaar. Natuurlijk weer die zakkenrollers, concludeerde de man. Maar daar was Eduard niet zo zeker van, want het was best mogelijk, dat hij de portefeuille in de winkel naast zijn binnenzak had gestoken. De drogist had echter niets gevonden. Zou die man in staat zijn me te beduvelen, dacht Eduard een ogenblik. Nee, daar zag hij niet naar uit. Misschien heeft meneer het geld wel op straat verloren, bedacht de drogist. Ook dat was na tuurlijk mogelijk, maar wacht eens... „Heeft u nadat ik de zaak uitging nog veel klanten ge had", informeerde Eduard. „Nee, zeker niet antwoordde de drogist wel geteld drie. Een oud mannetje, dat petroleum kwam halen, een dame, die een stuk zeep kocht, en een jochie om een rolletje drop". „Heeft u niet gezien, dat iemand zich naar de grond boog" ging Eduard verder, „om iets op te rapen?" „Nee, dat is mij niet opgevallen," zei de drogist, „van dat oude mannetje zou ik het trouwens niet weten, want ik moest hem enkele ogenblikken alleen laten, om voor hem petroleum te halen uit het magazijn." „Dat kan het moment geweest zijn, waarop die man mijn portefeuille op de grond zag liggen, die opraapte en in zijn zak stak", vond Eduard en hij liet er op volgen: „Kent u die man?" „Ik zou het niet weten, wie hij is," luidde de ontkenning van de drogist, „maar hij zal wel in de Langestraat wonen, want daar huizen er meer van dat slag..." „Van zijn slag...?" „Nuja, ik bedoel, van die armoedige mensen," legde de drogist uit. „De Langestraat is in deze buurt de straat waar de armoedjes wonen. Daar zal hij wel thuis horen." Daar stond hij nu. Zonder een cent op zak en op zoek naar een man, die ergens in de Langestraat moest wonen, 't Zou zo gek niet zijn, als die man zijn geld had, want hij zag er naar uit dat hij best wat centjes kon gebruiken, peinsde Eduard. Maar hoe moest hij er nu in godsnaam achter komen, waar die man precies woonde. Op welk nummer, in welk huis, op welke etage. En hoe zou hij hem kunnen vinden als hij zich voorlopig blij met zijn geld, veilig achter de huisdeur ver borgen hield. Maar, zo redeneerde Eduard, hij zou toch wel eens uit zijn huis komen, want na tuurlijk ging hij van dat geld iets kopen voor de Kerstdagen. Allemaal goed en wel, bedacht Edu ard ineens, maar als dat oude ventje nu eens niet mijn portefeuille heeft meegenomen. Ik kan hem toch ook op straat verloren zijn. Nee, laat ik mezelf nu niet op dwaalwegen begeven, palmde Eduard zichzelf in, maar er vanuit gaan, dat die man mijn geld heeft. Ondertussen stond hij al in de Langestraat. Het was een echt vies straatje. De huizen zagen er grauw en verwaarloosd uit. Kleine smoezelige winkeltjes waren tussen de grauwe huizen inge- prikt. Toch schenen de mensen in deze straat hun armoede niet zo zwaar te nemen, want bij dat kruideniertje ging het er vrolijk toe. Maar wat was dat? Al die vrolijkheid heerste om het ver haal, dat een klein mannetje in het midden van de mensen in het winkeltje stond te vertellen. En dat mannetje was dat niet... verdraaid nog- an-toe dat was het oude ventje uit het winkeltje ons zich gelukkig voelen, als zij eens met Kerst mis wat minder aan moeten doen. Als er geen nieuwe Kerststal af kan, als het geld ontbreekt voor echt feestelijke maaltijden en het niet ver antwoord is om veel uit te geven aan allerlei genotmiddelen. Toegegeven dat het hard valt voor onze kinderen, die zich nu eenmaal niet be kommeren om onze materiële zorgen, eens wat minder stoffelijke blijken van de Kerstviering in de huiskamer te brengen, toch mogen wij de bijzaken niet als hoofdzaak gaan zien. Het mid delpunt van de viering van Kerstmis moet blijven het goddelijk gebeuren van de Kerstnacht. Daar over moet onze blijheid en verheugeniszich uit strekken. En in dit opzicht hebben wij een voor beeld te geven voor al die anderen, die in een zodanige geestelijke armoede verkeren, dat zij in het Kerstfeest geen verheven sfeer meer weten, maar het beschouwen als 'n zuiver werelds feest. Het dringt misschien niet altijd zo tot ons door, maar als wij ons bezinnen op de feitelijke be tekenis, welke Kerstmis voor ons moet hebben, dan wordt het duidelijk dat het maatschappelijk leven ons steeds meer vervreemdt van de een voud, die Wij moeten bezitten om de wijsheid op te kunnen brengen om het Kerstgebeuren te begrijpen. Het gecompliceerde leven van de twin tigste eeuw vergt van ons zoveel materiële zor gen, dat wij ons van al die aardse dingen haast niet los kunnen maken om ons geheel in deemoed bij de kribbe te kunnen scharen. Weliswaar wen den wij ons niet met opzet van de kribbe af, maar het materialisme van onze dagen dat ook op de Katholieken zo'n sterke greep heeft gekregen, scheurt ons weg van het stalletje van Bethlehem. Wij moeten voort in dit leven, strijden voor ons zelf en ons gezin en zorgen dat anderen ons de kansen niet ontnemen. Over hen die stilstaan in deze moderne wereld gaan immers de voetstappen van anderen, die de kunst verstaan bij de tijd te blijven. Vooruit gaan betekent toenemen in kennis, waaruit de mogelijkheid voortkomt macht te verwerven. En wat is belangrijker in dit leven dan macht? De macht om te beschikken, te regeren in het milieu van onze werkkring, waar die macht ons geen windeieren legt. Natuurlijk we moeten het orde lijk doen en vooral niet de perken der welgevoeg- lijkheid te buiten gaan. Maar voort moeten we. Ons gezin vraagt van ons dat wij toenemen in kennis en onze macht uitbreiden. Hoe waan zinnig is de wereld niet geworden door deze wed loop in het verwerven van kennis. De mens heeft zichzelf onderworpen aan een nieuwe afgod, die kennis stelt boven de wijsheid. De mens wordt niet meer beoordeeld naar zijn moreel en zijn karakter, maar naar wat hij weet. Hierdoor heeft het menselijk individu afgedaan en is de verheerlijking begonnen van de objec tieve kennis. Dit is het criterium geworden, waar naar de mens beoordeeld wordt, en in zijn ver blinding ook vaak beoordeeld wil worden. En wat is nu de waarde van deze kennis ten opzichte van de wijsheid waarmede de simpele herders in het stof knielden en het Goddelijk Kind aan baden? Van welke feitelijke betekenis is de ge leerdheid van een man, die de gedragingen van alle sterren kent, maar die niet meer weet van de ster van Bethlehem. Het schijnt het noodlot van de mensheid te zijn, dat naarmate zij in kennis toeneemt, zij verder van God komt. Hoe meer de mens toeneemt in kennis, des te geringer wordt ook de kennis van zichzelf. Dit manifesteert zich wel op pijnlijke wijze in het feit dat tallozen niet meer beseffen, dat God de mens als Zijn beeld schiep, dus hem met Zijn verstand en wil stelde boven al het ge schapene. Voor de mens, die zoveel weet, bestaat deze herkenning van God in zichzelve niet meer. De hoogste wijsheid evenwel bezitten zij, die deze zelfkennis nog niet verloren hebben. Die de knie weten te buigen uit dankbaarheid voor wat God ons in de Kerstnacht schonk. Voor allen, die nog leven in dit besef, die het vermogen hebben be houden geestelijk verder te zien dan het oog reikt, zal de betekenis blijven leven van de heilwens, die wij op dit schoonste feest van het jaar elkaar toewensen: ZALIG KERSTMIS. De nacht was zwijgend, de nacht was donker in het veld van Bethlehem Geen stemme ruiste er geen sterre blonk er op het veld van Bethlehem Doch eensklaps trilden vreugdepsalmen en hemels zongen de Engelenkoren: Daar is een Kindeke, een Kindeke geboren. En herders zochten vol blij verwachten de stal van Bethlehem Ze aanbaden Jezus met diep betrachten ten stal van Bethlehem Hun hart sprong van loutre vreugde Heil de Messias uitverkoren! Daar is een Kindeke, een Kindeke geboren. Drie wijzen kwamen toen hergetogen en zochten Bethlehem; helblinkend rees er een ster ten hogen en wees hun Bethlehem Zij knielden daar in stille aanbidding en boden ruikwerk en trezoren Daar is een Kindeke, een Kindeke geboren. Wij horen immer die psalmen klinken om 't heilig Bethlehem wij zien nog immer die sterren blinken op 't heilig Bethlehem Nog heel ons ziele streeft daarhenen Daar is ons 't eeuwig heil beschoren: Daar is een Kindeke, een Kindeke geboren. Prosper van Langendonk. van de drogist. Eduard wreef zich even over het voorhoofd, want hij was te verbaasd, dat man netje nu al gevonden te hebben: Plotseling snerp te een vrouwenstem in Eduard's oren, die vroeg „Hoeveel heb je wel gekregen?" Nu was er geen twijfel meer voor Eduard. Het oude mannetje stond bij die kruidenier op te snijden over het geld, wat in zijn portefeuille zat. Wat nu te doen? Het winkeltje binnenstappen, de oude man bij de kraag grijpen en vertellen dat hij zich zijn verloren portefeuille had toege- eigend, leek Eduard onverstandig. Misschien zou den al die vrolijke klanten hem dan aanvliegen. Maar wat dan te doen? Tijd om verder te denken kreeg Eduard niet, want de winkeldeur ging open en het winkeltje stroomde leeg. Zo vlug hij kon stelde Eduard zich verdekt op in een portiek, terwijl het oude ventje met nog enkele mensen de straat over stak. Ze bleven voor een huis staan, waar het ventje met een opgewekt „tot morgen" afscheid van ze nam. Aha, dacht Eduard, nu weet ik tenminste waar hij woont. Nu maar meteen de man achterna. Een ogenblik aarzelde Eduard. Zou hij het toch wel doen? Stel je voor, dat daar in dat huis een hele boeventroep zat. Het leek hem beter te wachten tot het ventje de deur weer uit was, dan zou hij wel even met zijn vrouw praten. Lang hoefde Eduard daar niet op te wachten, want een ogenblik later kwam de man inderdaad weer het huis uit, met onder zijn arm een grote tas. Ja, ja, mompelde Eduard voor zich uit, kerstinkopen doen van mijn centen. Toen de oude uit het gezicht verdwenen was, stak hij direct de straat over en belde aan bij het be wuste huis. „Is uw man ook thuis?" bracht Eduard er wat schuchter uit toen een verfomfaaide vrouw de deur opende. „Mijn man?" vroeg de vrouw verbaasd. „Kom nou, ik heb er nooit een gehad en ik zou er ook nooit een motte". „Ach, dat is waar ook", stamelde Eduard, terwijl hij zich ergerde over z'n stommiteit, „maar hoe heet hij ook weer, die oude heer die hier woont?" „O, u bedoelt mijn commensaal, meneer Bruikers, nee, die is niet thuis. Hij ging net de deur uit". „Ja, juist, meneer Bruikers", zei Eduard opge lucht dat hij weer iets verder was. „Ik moet hem toch even hebben, want ik ben een zoon van een oude kennis van hem en ik kom van buiten de stad". „Nou, gaat u dan maar even op zijn kamer, hij zal wel zo terug komen", was het onverschillige antwoord van de vrouw. Wat een geluk allemaal bij een ongeluk, dacht Eduard, terwijl hij zijn voet over de drempel zette van een klein kamertje. Wat een lorren- verzameling was er in die kamer! Verschrikkelijk gewoon! Maar dat was niet zo erg, want hij was nu in het hol van de leeuw, zoals dat romans heette. Zijn oog werd getrokken door een open staande kastdeur. Hij wierp een blik in de kast en zag daar een stapel witte vierkante dozen, kennelijk afkomstig van de banketbakker. Een blik in een van de dozen bevestigde het vermoe den van Eduard. Afwisselend waren de dozen gevuld met kerstkransen van banket en kerst broden. Daar naast lagen nog wat pakjes, waar vleeswaren in zaten, snoeperijen en rookartike len. Zo'n oude snoeperd, dacht Eduard. Zich met Kerstmis voleten van mijn geld! Daar zal Eduard nu eens een stokje voorsteken, mannetje! Nauwelijks had Eduard de kast dicht of de ka merdeur ging open en de man kwam binnen. Uit de tas onder zijn arm puilden allerlei pakjes. „O, meneer, moest u mij gehad hebben," stamelde het oude mannetje verschrikt. „Dat zou ik wel denken meneer Bruikers," spotte Eduard. „Ik geloof, dat wij samen een appeltje te schillen hebben, oude schavuit." „Wat geeft u het recht mij schavuit te noemen", antwoordde het mannetje verontwaardigd. „Ik ken u niet eens." „O nee, ken je me niet eens. Nog maar kort ge leden zagen wij elkaar nog in die winkel, die voor jou een goudmijntje was." „Goudmijntje, wat bedoelt u daar eigenlijk mee." „Ach, meneer is dat allemaal vergeten" hoonde Eduard. „Kom vriend, doe nu niet zo lammetjes- achtig, maar geef me mijn portefeuille terug, die je bij de drogist vond." „Uw portefeuille," deed de man verbaasd, „daar weet ik niks van". „Wat u zegt. 't Klinkt werkelijk aandoenlijk" ging Eduard spottend verder, „maar je wilt me toch zeker niet vertellen, dat je die voorraad kerstkransen, kerstbroden en die andere spullen daar in die kast van je eigen centjes betaald hebt? Bovendien is het erg stom van je, dat je zoveel van dat spul gekocht hebt, want je zult er vast een vuile maag van krijgen." Als een dief, die zich ingesloten ziet door een macht politie-agenten, zakte de man moedeloos op een stoel neer. In zijn ogen speelde een vreem de blik en over zijn gezicht trok een uitdrukking van teleurstelling. Eduard moest denken aan een kind, dat zich misdaan voelt als het juist zo goed zijn best heeft gedaan en dan toch nog een berisping krijgt. „Nu, oude heer, blijf je bij je ontkenning", ver brak Eduard de stilte. „Wees maar niet bang, dat ik je in je kraag zal nemen, daarvoor ben je me te vies. Maar de politie is dicht in de buurt." „Nee, geen politie, doet u dat niet meneer," vroeg de man verschrikt. „Ja, ik heb de portefeuille opgeraapt en in mijn zak gestopt, maar ik was eerst van plan het ding naar de politie te bren gen." „Ach, wat aardig," hoonde Eduard. „En op weg naar het politiebureau heb je vast wat kerst kransen gekocht om er de politie mee te verras sen." Als een kleine jongen, die berouw toonde over een bij de buren ingeslagen ruit, staarde de man naar de grond. Hij trilde over zijn hele lichaam en maakte licht schokkende bewegingen met zijn hoofd. Toen begon hij te vertellen. Van het vin den van de portefeuille en zijn voornemen deze naar het politiebureau te brengen. Maar hij deed het niet, omdat plotseling de gedachte in hem op kwam, wat hij allemaal met dit geld zou kun nen doen om de stumperds in zijn straat onver getelijke kerstdagen te bezorgen. Daarom waag- Vervolg zie pagina 2

DIGITALE PERIODIEKEN IN DE VOORMALIGE GEMEENTEN HELDEN, MEIJEL, KESSEL EN MAASBREE

Midden-Limburg | 1953 | | pagina 1