Nieuws- en Advertentieblad MARIA ANTOINETTE N». 38 ZATERDAG 1 December 1§34 ZEVENTIENDE JAARGANG Adres voor Redactie en Administratie L. KASSTEEN, Helder-Panningen. Gedenkt de armen. PATER DOMÏNICUS. Midden Limburg Dit blad verschijn tel ken Zaterdag. Abonneinents prijsper jaar f2.-,franco aan huis bij vooruit betaling Losse num mers 5 cent. ingezonden en andere stukken worden inge wacht tot Donderdag morgen 10 uur. Advertenties worden in- - gewacht tot uiterlijk Teleloon nr 8, Panningen. Vrijdagmorgen 10 uur. Advertentieprijsvan 1-5 regels f 0.50; elke regel meer 10 ets. Grootere letters en vignetten naar plaatsruimte. Reclame-annonces tus- schen den tekst '20 ets. per regel. Van advertenties, welke de uitgever, om redenen te zijner beoordeeling, pie niet teruggegeven. Nu gaat het weer naar Sinterklaas. En kom ik weer een aalmoes vragen, Een aalmoes, vrienden, voor zooveel, Die lijden in de winterdagen. Gij allen, die in weelde leeft. Gij kunt en moet den arme geven; En 't penningske der arme weeüw. Krijgt ook zijn loon in 't ander leven. O! wist ge, hoe door 't arme kind. Dat alles derft, soms wordt geleden; En toch is zijne kinderziel Met och zoo weinig al tevreden. O gij, die ietwat missen kunt, Leert uwe kinderen vroeg reeds geven; Gij weet niet, hoeveel waard het hun Zal zijn geheel hun volgend leven. Want weldoen is een zaligheid En tegengift voor 't zelfbegeeren, 't Genot dier vreugd, die schoone deugd, Mijn vrienden, moet men ookalleeren. Dat kunt gij, ouders, als ge uw kind, Steeds wijst op 't treurig lot der armen; Dan wekt gij in zijn zien t gevoel Van medelijden en erbarmen. EVANGELIE le Zondag v. d. Advent. Luc. 2125 33. En daar zullen teekenen zijn in zon en maan en sterren, en op de aarde benauwd heid onder de volken, verbijsterd door het bruisen van zee en golven, terwijl de men- schen verstijfd staan van vrees, in verwach ting van hetgeen de wereld boven het hoofd hangt. Want de krachten der hemelen zullen geschokt worden. En dan zullen ze den Menschenzoon zien komen op eene wolk, met groote macht en majesteit. Als nu deze dingen beginnen te geschieden, blikt dan omhoog en heft uwe hoofden opwaarts, omdat uwe verlossing nadert. En Hij zeide.hun eene gelijkenis; Aan schouwt den vijgeboom en alle boomensals ge ze pas ziet uitbotten, dan weet ge van zelf dat de zomer reeds nabij is. Zoo weet ook gij, als ge deze dingen ziet geschieden, dat het koninkrijk Gods nabij is. Voorwaar Ik zeg u: Dit geslacht zal niet voorbijgaan, vóór alles geschied is. Hemel en aarde zul len voorbijgaan, doch mijne woorden zullen niet voorbijgaan. Verhaal uit het volksleven. II. Met somber samengetrokken wenkbrau wen staarde de boer ze na. Bij haar laatste woorden was zijn anders zoo rustig-blozend wezen toch een oogenblik bleek geworden; wie zou ook onverschillig kunnen blijven onder dea vloek van zijn eigen zuster? Op het gelaat van den zoon was eveneens de hoonende glimlach verdwenen. „Zegt die vrouw de waarheid, vader?" vroeg hij. „Is zij uw zuster?" „Ja, zij is uw tante Marianne; je hadt niet tusscheabeide moeten komen," ant woordde Wijkamp corsch, als wilde hij zijn zoon de schuld geven van 't gevoel van onbehagelijkheid, dat opeens over hem ge komen was. „Nou, dat had je wel wat vroeger kunnen zeggen. Dan had ik mijn mond gehouden. Overigens, voor zulk een tante bedank ik feestelijk! Daar is geen eer aan te behalen. Wat wilde ze eigenlijk? Kwam ze bedelen?" „Neen", antwoordde de vader kortaf en verliet de kamer, de deur met harden slag aether zich toetrekkend. Zoolang zij tegenover haar broeder stond, was het Marianne gelukt, zij het met in spanning van al haar krachten, zichzelf meester te blijven en zich niet te laten over heerscnen door de op haar instormende gevoelens van moedeloosheid en ellende. Nu ze echter de plek, waar ze haar jeugd had doorgebracht, verlaten moest zonder de minste hoop, er met haar kinderen een vei lig toevluchtsoord te vinden, nadat ze haar kostwinner verloren had, nu overmande haar de troosteloosheid van haar toestand. Als met centenaarsgeweld drukte die toe stand haar neer, beklemde haar borst en benam haar den adem. Slechts met de groot ste moeite sleepte zij zich voort. Juist na derde zij den rijksweg en moest ze een brug oversteken, waaronder een beek haar zwarte vuile wateren langzaam voortstuwde, toen haar voeten haar den dienst weigerden en zij zich op een hoeksteen der brugleuning moest laten neeervallen. Haar oogen gingen naar den Wijnkamper- hof terug, dien zij zoo pas verlaten had. Alles hier riep de zorgelooze dagen harer jeugd weer in haar gekwelden geest op. Ieder deel van den weg, elke steen van de brug sprak haar van 't verleden, van haar blijde, zonnige kinderjaren. Destijdswas het beekje nog zoo helder, dat ze vanaf de brug de witte kiezelsteenen kon zien glinsteren. Hoe dikwijls had ze hier op heete zomer dagen na schooltijd de voeten gebaadEen mijn was sedertdien wat verderaf in exploi tatie genomen en had het reine water heel bezoedeldhet was een slijkerige massa geworden, waaruit kwalijk riekende dampen opstegen. Zoo was het ook gegaan met haarzelf; de lotgevallen der kleine beek waren het trouwe beeld van haar eigen leven voorheen en thans. En weer daalde haar blik af naar de hofstede, als hoopte ze ondanks alles dat iemand vandaar komen zou om haar terug te roepen in het ouderlijk huis. Maar de weg bleef eenzaam en verlaten. Toen hield ze het niet langer uit. Ze steunde de elle bogen op de knieën, en, het gezicht in de handen verbergend, liet ze aan haar tranen den vrijen loop. Mijnwerkers, met de blikken drinkkannen op den rug, gingen over den weg voorbij. Zij zagen de arme, snikkende vrouw, zittend tegen de brugleuning; geen van hen trad echter nader om naar de reden harer droef heid te vragen of haar een woord van troost en deelneming toe te spreken. Wat zou hun deelneming haar overigens gebaat hebben? Die daar voorbijgingen, waren mijnwerkers, kameraden van haar man zaliger, en die hadden aan hun eigen gezin reeds genoeg; ze konden zich de weelde, een arme weduwe bij te staan in haar nood, niet veroorloven. Hun gezicht wekte weer levendig de ge dachte aan haar man bij haar op, die aldus ook dagelijks naar de mijn was gegaan om voor vrouw en kinderen het brood van ieder dag te winnen. Met welk een teeder- heid had hij telkens vóór de zware dagtaak afscheid van haar genomen en de kinderen aan haar moederlijke zorgen aanbevolen De kinderen! Ze schrok, nu ze aan hen dacht. Ze had ze thuis gelaten onder de hoede van een buurmeisje. Ze mocht hier niet langer blijven zitten, noch zich over geven aan de smart, die haar beste krach ten verlamde. Ze moest naar huis om voor hen te zorgen en te werken. Wie weet, wellicht zou er toch nog uitkomstopdagen, al was het ook niet onmiddellijk? Haar zuster Therese had een goed hart. Die zou haar zeker niet aan haar lot overlaten, wan neer ze wist hoe ellendig het met haar en haar kinderen gesteld was. Therese moest ze haar troosteloozen toestand blootleggen, en een weg, om haar eenig bericht te doen geworden, zou ze wel vinden... Onder den invloed dezer troostende ge dachte voelde ze zich weer iets sterker worden. Juist wilde ze opstaan om haar weg te vervolgen, toen iemand zachtjes zijn hand op haar schouder legde en met vrien delijke stem vroeg: „Wat scheelt eraan, juffrouw? Zijtge ziek?" Aangenaam verrast, hief Marianne 't hoofd op en zag vóór zich een jongeling staan van om de achttien jaar. Hij was flink gebouwd; wat hoog en smal, maar overigens gezond van kleur. Uit de blauwe oogen straalde de deelneming van een goed, menschlievend hart. In de linkerhand had hij een pak met een draagriem bijeengehouden boekenook de groene studentenpet wees erop, dat hij de een of andere inrichting volgde van mid delbaar onderwijs. Vrouw Volmering richtte zich op„Neen" antwoordde ze, terwijl een lichte blos over haar smartelijke trekken gleed, „ik ben niet ziek. Dank je voor je deelneming, jonge man Ze wilde verder gaan, maar meteen merkte ze hoezeer de jongen geleek op den zoon van haar broer, al was de algemeene uitdrukking van 't gelaat anders, heel wat vriendelijker. Ze aarzelde een oogenblik, als wilde ze hem iets vragen. De student zag het„Maar, goede vrouw, ge hebt geschreid; kan ik iets voor u doen?" Even monsterde hij haar. Ze was een voudig, armoedig zelfs gekleed; toch tenet voor een bedelares. Opeens flitste het door zijn geest, dat zij aan den weg zat, die van zijns vaders hoeve kwammogelijk had zijn broer haar onheusch bejegend. Gejaagd vroeg hij: „Zijt gij ginds geweest op Wij- kamperhof?" „Ja, ik ben er geweest; gaf zij ten antwoord met zulk een beslistheid in de stem, dat hij even schrikte. .En is het daarom dat gij geschreid hebt? Ik bedoel: heeft men er u onvrien delijk behandeld?" „Jonge man, zeg mij eerst wie ge zijt; dan zal ik zien of ik uw vragen kan beant woorden." Weer lag in den toon harer stem de eigenaardige nadruk, die hem had doen schrikken. „Ik ben Edmond Wijkamp, tweede zoon van iHerman Wijkamp, den eigenaar der hoeve;" antwoordde hij. „Zoo, dan heb ik me niet vergist; ik had dit reeds aan uw gezicht meenen te zien;" hernam de vrouw, en weer kregen haar trekken die harde, smartelijke uitdruk king, welke de deelnemende woorden van den student een weinig verzacht hadden. „Ja," ging ze voort, haar woorden sterk betoonend, „ja, ik ben op Wijkamperhot geweest; en men heeft er mij weggejaagd, bijna de honden op me afgestuurd, omdat ik met een verzoek kwam, waarvan ik de inwilliging ais een recht beschouw. Maar je vader heeft het barsch afgewezen; en toen heb ik hem iets gezegd, dat hem nog lang in de ooren zal nauiten!" De weduwe had met toenemende bitter heid gesproken en daarbij niet gezien hoe de student bleek was geworden en haar met smartelijke verwondering aanstaarde. Toen ze 't merkte, had ze spijt van haar woorden „Vergeef 't me, Edmond," zei ze kalmeerend, „de herinnering aan het ge leden onrecht maakt me onrechtvaardig. Ik vergat dat jij me deelnemidg betuigd hebt. Ik ben een zuster van je vader en kwam" „Zoo, zijt ge tante Marianne! Ik heb u thuis nooit gezien en we mochten u ook nooit bezoeken, omdat Hij schrok bij de gedachte aan 't woord, dat hem op de lippen laghet schaamterood steeg hem naar de wangen. Als om vergiffenis te vra gen, greep hij haar hand. „Spreek vrij verder, jongen," sprak ze met weer de verbittering van zooeven in de stem. „Ik weet wat je zeggen wilde Ja, ik ben die tante Marianne, die, zooals 't heet, schande gebracht heeft over de fa milie. Maar neen; jou kan, jou moet ik het zeggen; je open blik getuigt van een goed hart; ik heb geen andere schande over de familie gebracht dan dat ik mijn woord niet heb willen breken, maar trouw gebleven ben aan den man, dien ik van kindsbeen af had leeren kennen en beminnen. Ik heb geen oogenblik geaarzeld mijn leven aan 't zijne te verbinden, ook nadat hij door de lichtzinnigheid van zijn vader, de verkwis tingen zijner broeders en niet het minst ook door de hebzucht van jou vader heel zijn fortuin verloren had." „Tante, tante," riep de student, pijnlijk verrast, „dat moogt ge niet zeggenGe doet vader onrecht aan." „Toch niet, mijn jongen. Maar jij kunt dat niet weten; het dadeert nog van vóór je geboorte. Ik moet het je echter vertellen, dan kun je bij gelegenheid voor mij en mijn kinderen in de bres springen, voor ons goed recht opkomen De vader van mijn man zaliger, de oude Volmering, was erg licht zinnig van aard. Wanneer hij in geldver legenheid was, kwam hij telkens bij ons leenen. Door toedoen van je vader kreeg hij de eene som na de andere tegen hooge rente en onder hypotheek. Toen dit lang genoeg geduurd had, haalde je vader den strop toe. Hij eischte het geleende kapitaal op, en daar de oude Volmering bet niet teruggeven kon, zag hij zich gedwongen, zijn land en huis aan ons te venkoopen. Kort daarna stierf hij. De twee oudste broers van mijn man hebben zich toen de rest der nalatenschag toegeëigend en zijn er vandoorgegaan. Waar ze gebleven zijn, weet niemand. Wordt vervolgd. FEUILLETON. Romantisch verhaal naar het Fransch. 182 Even dwaas en verachtelijk als het was, den koning, dien men wilde vermoorden, voor den vorm een proces aan te doen en met onge gronde beschuldigingen tegen hem op te treden, in plaats van zich alleen op het krijgsrecht te beroepen even dwaas en verachtelijk was het proces tegen de koningin. 't Is laf, dat de overwinnaar den overwon nene verwijt, dat hij zich heeft willen verde digen. De omwenteling bestreed het koningschap met de laagste en verachtelijkste wapens; zij overwon het omdat de koning geen bloed wilde vergieten en een amnestie had uitge vaardigd. Van die amnestie sprak de aanklacht niet, maar wel legde zij het de koninklijke familie als een misdaad ten laste, dat zij zich aan een onwaardigen en on verdragelijken toestand had willen onttrekken, en noemde de pogin gen daartoe verraad. Doch met de koningin ging ze nog verder; men bracht tegen haar beschuldigingen in, waarvoor niet de minste grond wrs, en die van de laagheid en de verachtelijkheid harer aan klagers getuigden. Terwijl men den koning wegens verraad aanklaagde en hem daarvoor strafte, gaf men te kennen dat hij verantwoordelijk moest wor den gesteld voor den raad, dien Maria Antoi nette hem gegeven had en men hem liet boe ten voor de intrigues zijner gade; daardoor bekende men dus dat zij niet verantwoordelijk wezen kon, nu liet men het voorkomen alsof al de ellende aan haar te wijten was, alsof zij de heerscheres was geweest. Maar daarmede nog niet tevreden, trachtte men haar ook als vrouw te grieven en te ver nederen. Het gerecht wierp zich als haar aanklager op wegens liefdesavondturen, zonder er het minste bewijs van te kunnen leveren, want men liet allen vermoorden of het land uit zetten die als getuigen hadden kunnen op treden. De verachtelijke Hebert, redacteur van het blad Père Duchêne, en de laaghartige Fouquier- Tinville verzonnen tegen haar een aanklacht, die het gevoel van alle rechtschapen lieden pijnlijk aandeed en zóó onwaarschijnlijk was, dat iedereen ze dadelijk erkende als de inge ving van den felsten haat en al de overige beschuldigingen daarnaar beoordeelde. De waar digheid waarmede Maria Antoinette zich ver dedigde, verwierf haar zelfs de deelnemiug der tegen haar ten hoogste verbitterde dames des halles. Het verhoor duurde den geheelen dag en den daaropvolgenden nacht. Men gaf de koningin geen voedsel, geen enkele verversching. Haar keel was als tot ge schroefd van den dorst, zij vroeg een glas water, men weigerde haar wat men aan een arme bedelares op den hoek eener straat zou schenken. Wellicht hoopte men dat lichaamelijke zwakte haar trotschen geest zou buigen. Maar zij bleef standvastig, en alleen op het oogen blik toen Hébert's schandelijke aanklakht haar diepe verontwaardiging opwekte, stonden tranen in haar oogen. In de eerste uren zag men haar, met een voorkomen van verstrooidheid, de vingers be wegen op de leuning van den stoel. Vreeselijker nog dan voor haar, die op haar lot was voorbereid en den dood als een ver lossing tegemoet zag waren deze lange uren van bange verwachting voor hen die haar tronw waren gebleven en op de galereien de terechtstelling bijwoonden. Barod de Batz moest den graaf Toulan met geweld tegenhouden, daar deze zich, den dolk in de hand, van de galerij op Hébert wilde werpen, toen |de ellendeling zijn schandelijke aanklacht deed. De geheele terechtzitting getuigde van den haat harer tegenstanders en was een onwaar dige handeling tegen een ongelukkige over- wonnenne, tegen een zwakke vrouw, wier trots men toch niet kon buigen. Tegen den morgen was het verhoor afge- loopen de beschuldigde werd verwijderd, de gezworenen gingen naar een andere kamer. Eindelijk was het beslissend oogenblik ge komen, door velen met angst en beven ver wacht, en toch hadden de meesten reeds voor zien wat de uitspraak zou zijn. Men geleidde de koningin weder voor de balie, em haar vonnis te hooren. Zij stond daar in een vaste houding, met fier en vol waardigheid opgericht hoofd, sa mengedrukte lippen en de oogen strak op de rechters gevestigd. Het vonnis werd voorgelezen, het luide dat zij was ter dood veroordeeld. Zonder te verbleeken, hoorde de koningin die uitspraak aan geen spier van haar gelaat vertrokzij stond daar bedaard, kalm en fier. Toen men haar vroeg, of zij nog iets had in te brengen tegen het over haar uitgesproken vonnis, schudde zij het hoofd en antwoordde „Neen Men zeide haar dat het vonnis den volgen den dag zou voltrokken worden, en zonder een verzoek of een klacht te hebben doen

DIGITALE PERIODIEKEN IN DE VOORMALIGE GEMEENTEN HELDEN, MEIJEL, KESSEL EN MAASBREE

Midden-Limburg | 1934 | | pagina 1