waarborgt MARIA ANTOINETTE N®. 35 ZATERDAG 27 October 1934 ZEVENTIENDE JAARGANG Twee gelooven in één huis. All één de naam opeen koker dat men U geen waardelooze of schadelijke namaak verkoopt. Dit blad verschijnt elken W& «M A M gk Advertentieprijsvan 1-5 Zaterdag Abonnement? fSk ÊÊBm BP ^BP ^P regels f 0.50; eikeregel prijs per jaar f2.-, franco ft®l% gmmt H 3B Wam BI w*61" Cts' ^rootere Ei£i™Brx;: IViinnftii^ I aiiri rn yc Ingezonden andere B BW JGB H Bfa»«r<gd)? hI BP MÈSL^^gff JflÉ JB JE H ELJl H s< tekst 20 cts. stukken worden inge- Bf BB^fc wl^* wHHBHHP BBl^b ®W ^^^^P nBb |)er reR'1 wacht tot Donderdag- i. Van advertenties, welke Advertenties worden in- Nieuws- en Advertentieblad te zijner beoordeeling, gewacht tot uiterlijk Tö^oon nr 8, Panningen. Postcheque giro 15718. rij dagmorgen uur.—— Adres voor Redactie en Administratie L. KASSTEEN, Helder-Panningen. pie niet teruggegeven. JEUGD EN OUDERDOM. In den gulden tijd der kindsheid Stelt men zich zoo menigmaal Toekomstbeelden voor de ziele, Onverganklijk als het staal. Grijpend met de beide handen, Hunkrend met de gansche ziel. Snakten wij naar elk dier beelden Dat 't ons toch ten deele viel. En wij grepen ijle schimmen, En wij vatten grijzen rook, En wij zagen vale wolken, Waar elk beeld in onderdook. Doch één beeld, een spookbeeld was er. Dat ons met zijn arm ontving, Telkens ons in de armen preste; 't Beeld der bittre ontgoocheling. Ween niet, arme menschenziele Vreugde is ijdel, maar ook smart. Elke wolk heeft zonnezijde, Toont zij zich ook nog zoo zwart. Straks komt de ouderdom, komt kalmte. Straks verdwijnt de zwoegenslust, En het rustelooze jagen Ruimt de plaats voor stille rust. EVANGELIE 23e Zondag na Pinksteren. Matth. 9: 18 - 26. Terwijl Hij zoo tot hen sprak, zie daar naderde een overste en wierp zich voor Hem neder en zeide: Heer. zooeven is mijne dochter gestorven, maar kom, leg haar uwe hand op en zij zal leven. En Jesus stond op en volgde hem met zijne leerlingen. En zie, eene vrouw, die twaalf jaar lij dende was aan eene bloedvloeiing, trad van achteren toe en raakte den zoom aan van zijn kleed, want zij zeide bij zichzelve: In dien ik slechts zijn kleed aanraak, zal ik ge nezen zijn. Doch Jesus keerde zich om, en haar ziende zeide Hij: Wees welgemoed, dochter, uw geloof heeft u gered. En van dat oogenblik af was de vrouw genezen. En toen Jesus in het huis van den overste kwam en de fluitspelers en het misbaarma- kende volk zag, zeide HijGaat heen want het meisje is niet gestorven, doch slaapt. En men lachte met Hem, En nadat de me nigte verwijderd was, trad Hij binnen en vatte haar bij de hand. En het meisje stond op. En de mare hiervan verspreidde zich door geheel de landstreek. FEUILLETON, Romantisch verhaal naar het Fransch. 178 Den volgenden dag werd Devaux ter dood veroordeeld en het vonnis aan hem voltrokken. Weder sprak mm te Parijs over een vermetelen aanslag van den graaf Toulan en de Jacobij- nen waren woedend dat de aristokraat hen ep- nieuw was ontsnapt. HOOFDSTUK VIC. Vreeselijke beschuldiging. De Kopventie had besloten Maria Antoinette te vonnissen, doch de beschuldigingen ontbra ken. Fouquier Tinville wiens kieskeurigheid in dergelijke zaken niet hoog opliep, verklaarde dat niets een ter dood veroordeeling van Ma ria Antoinette kon wettigen. Doch zooals we reeds weten is Hebert met Simon afgesproken den kleinen martelaar de zwaarste, afgrijse lijkste beschuldiging af te dwingen. VII. „Ja met de lichamelijke gezondheid gaat het allengs beter. Ze spreekt ook geen wartaal meer. Als we die zwaarmoedigheid maar meester konden worden, dan zou ze wel spoedig in orde zijn „Laat dat aan mij over, Zuster! Zorg gij er slechts voor, dat ze haar kamer mag verlaten en in de kapel komen. Dan zullen we met één slag heel de positie veroveren." Het was inmiddels Palmzondag geworden. Gelijk de andere kinderen, had Engelbert een ruiker van palmtakjes mee naar de kerk genomen en die laten wijden. Hij zou van daag voor 't laatst privaatles van den Pastoor ontvangen; een paar dagen later begon im mers de Paaschvacant e en dan kon gij zon der bezwaar aan 't katechismus-onderricht en de voorbereidende oefeningen in de kerk deelnemen. Toen hij met zijn ruiker de studeerkamer van den Pastoor binnentrad, heette deze hem hartelijk welkom: „Da s braaf van je, Engelbert, dat je vandaag O.L. Heer met palmtakjes in de hand tegemoet bent gegaan. Je hebt zeker gedacht aan de kinderen van Jeruzalem, die bij Christus' plechtigen in tocht in de stad ook palmtakjes droegen en met de grooten meejuichtenGezegend Die komt in den naam des Heeren I Nu O.L. Heer spoedig bij jou zijn intrek neemt, heb je wel bijzondere redenen om die woor den uit te jubelen. Je wilt toch zeker uitje hart alles wegruimen wat Hem bedroefd en het met de bloemen en palmen van deugden sieren, opdat het een waardige troon zij voor den Allerhoogste, een tabernakel, waarin Hij gaarne zal willen wonen." Engelbert luisterde steeds aandachtig naar de woorden van den grijzen herder; heel zijn wezen getuigde ervan, dat ze bij hem in goede aarde vielen. Dan volgde nog een dier kostbare uren van onderricht ec stich ting, welke hem immer onvergetelijk zouden blijven. In eea levendig gesprek, waarbij vraag en antwoord elkaar gedurig kruisten, werd hij steeds dieper ingewijd in het groot ge heim van ons Geloof, het geheim van 't Woord, dat uit den hemel nederdaalde en Mensch werd om ons te doen deelen in zijn goddelijke natuur. Toen het onderricht was afgeioopen en Engelbert de kamer verliet, bleef hij aan de deur een oogenblik staan, verlegen draaiend met zijn ruikertje. De geestelijke bemerkte het. „Wensch je nog iets, Engelbert?" vroeg hij minzaam. „Ja, meneer pastoor... 't is vandaag al Palmzondag; nog maar veertien dagen, dan is het Beloken Paschen en... en... ik heb nog nietsThuis denkt niemand daar aan... Moeder ligt in 't hospitaal, en... met vader durf ik er niet over spreker... Kan ik zóó, gelijk ik nu ben, aan de plech tige H. Communie deelnemen?" „Zeker zou dat kunnen, mijn jongen. O.L. Heer ziet zoo nauw niet naar de klee- ren. als die maar proper en fatsoenlijk zijn. 't Zielekleed, daar komt het vooral op aan dat moet schoon en zoo rijk mogelijk zijn. Doch wees gerust. Je zult geen uitzondering Den 5 October werd er Simon bericht ge zonden dat hij den kleinen moest bereiden om op hun vragen bekennend te antwoorden. Den 6 October begaf zich generaal Henriot met de driekleurige sjerp, zijn kolossale sabel en gevederden hoed in den Tempel en richtte zich door Pache, Chaumette, Hebert en ver scheidene beambten gevolgd, naar den Toren, waarin Simon het koninklijke kind had op gesloten. Naast den generaal liep een grefiïer met pa pieren onder den arm en de pen achter het oor. Hij was drager van een te voren opgesteld verslag dat de kleine ter onderteekening zou worden voorgelegd. Simon ontving de heeren aan de deur van den Toren en bracht hen naar boven. In een smerige, duffe, stinkende kamer zat onbewegelijk op zijn bed de kleine Lodewijk Capet. Simon had hem te voren twee groote glazen brandewijn doen opslurpen. De dampen van het verraderlijke vocht die het brein van den jongen koning beknevelden waren aan 't verzwinden. Het kind was bleek zijn oogjes zwommen waterachtig tusschen zijn groore blonde pin kers tengevolge van den drankzijn hoofd hing zwaar voorover; geheel zijn uiterlijke maken. Voor je Communiepak zullen wij zorgen. Denk daar dus niet meer aan. Wees er alleen op bedacht om je waardig voor te bereiden; bid ook veel voor je zieke moeder en je vader. Ik durf hopen dat dan uw eerste H Communie ook voor uw ouders een dag van geluk zal wezen, een dag van genezing en blij wederzien." Op den avond vóór 't Communiefeest kwam Dupont later dan gewoonlijk thuis; t afwikkelen van sommige zaken, waarvoor hij op reis was geweest, had meer tijd ge vraagd dan hij gedacht had, In de huiskamer stond 't avondeten ge reed. Naast zijn bord had hij echter een brief gevonden en dien las hij nu reeds voor de derde maal over, als kon hij den inhoud daarvan niet begrijpen. Het papier droeg als hoofd den stempel der katholieke Sint Jans-parochie de brief zelf luidde als volgt „Mijnheer. Een paar maanden geleden zijt u uit mijn parochie verhuisd en bij deze gelegen heid hebt ge uw jongens naar de prote- stantsche school gestuurd, hoewel u bij uw huwelijk in mijn tegenwoordigheid plechtig beloofd hebt, al uw kinderen in den katho lieken godsdienst te doen opvoeden. Sinds dien is uw vrouw ernstig ziek geworden. De omstandigheden, waaronder de ziekte begonnen is, en heel 't verloop ervan geven duidelijk te kennen dat die gedwongen ge loofsverandering van uw zonen alleen de oorzaak is van haar ziekte. Met haar lichamelijke gezondheid gaat het nu tamelijk goed; niets heeft echter nog die diepe neerslachtigheid, welke sedert het ge- beure met uw jongens op haar drukt, kun nen overwinnen. Alles wijst daarentegen erop, dat, naarmate ze 't gebruik van haar verstand terugkrijgt, zij zich ook weer ge heel zal laten beheerschen door het denken over de gevolgen voor haar en de kinderen van uw rampzalig besluit. Zoo blijft het gevaar bestaan dat uw arme vrouw een blijvende, wellicht ongeneeslijke zwaarmoe digheid ten prooi zal vallen, zoo 't ons al thans niet gelukt, door de een of andere blijde gebeurtenis, licht en opklaring te bren ger, in haar geest. Morgen nu doet zich een dergelijke gelegenheid voor, die den groot sten invloed ten goede op den gemoeds toestand uwer vrouw kan uitoefenen, ten minste als die gelegenheid niet door u zelf verijdeld wordt. Ziehier wat ik bedoel. U weet dat uw oudste zoon Engelbert, vóór uw verhuizing, bij mij het voorbereidingsonderricht tot de eerste H. Communie volgde. Op den dag zelf, dat uw vrouw ziek is geworden, is de jongen bij mij thuis geweest en heeft me met zooveel aandrang gesmeekt, hem ook verder aan 't Communieonderricht te laten deelnemen, dat ik niet weigeren kon. Ik heb hem afzonderlijk les gegevenhij heeft steeds zooveel ijver, zoo'n heiligen ernst en ook zoo vlug en helder begrip aan den dag ge legd, dat het verkeer met den knaap een waar genot voor mij is geweest. Nu heeft morgen de eerste plechtige Communie der kinderen plaats. Engelbert heeft u daarover nog niet durven spreken, uit vrees dat u hem de toestemming weigeren zoudt. Als vader, hebt u evenwel het recht, van die gewichtige gebeurtenis in 't leven van uw zoon in kennis gesteld te worden. Ik doe hiermee tevens een beroep op uw gezond verstand en meer bijzonder nog op uw vader hart, dat gij 't geluk van uw kind niet zoudt verstoren. Ja, ik durf meteen 't verzoek tot u te richten, morgenochtend zelf Engelbert naar de kerk te vergezellen. Kom vóór de plechtigheid even bij mij aan. Ik vraag 'f u scheen verstompt; 't was duidelijk te zien dat hij door slechte mishandelingen veel bad ge leden. Toen de commissarissen binnen kwamen ver roerde hij zich niet. De commissarissen namen plaats. Enkelen gevoelden innig medelijden toen zij de ziekelijke bleekheid, het onnatuurlijk opgezwollen vleesch, de magere, zwakke bee- nen van den knaap zagen. Hij is erg ziek, mompelde een van hen. Maar Chaumette deed alsof hij die woorden niet hoorde; hij ging bij het bed zitten en fluisterde generaal Henriot iets toe. Als de knaap ziek is, zal dat zeker wel zijn oorzaak hebben, zei deze luid. De beschuldiging die Hebert tegen de ko ningin heeft ingebracht, wordt door u beves tigd, Simon, is 't zoo niet? Zoo is het, antwoordde de gevraagde, en de kleine Capet heeft mij betuigd dat zijn moeder de schuld van zijn lijden is. Als hij niet koppig is zooals soms het geval is zal hij die verklaring voor den burger aanklager herhalen Capet, aldus wendde Chaumette zich nu tot den knaap, weet ge wat van u moeder ge worden is Een gloeiend rood kwam op de zooeven nog doodsbleeke wangen van den knaap, maar hij antwoordde niet. met den meesten aandrang. Ik zal u dan zeggen waarom ik van dit feest een groote verandering ten goede verwacht in den ge moedstoestand van uw vrouw. Ik heb u dan tevens een voorstel te doen, dat meer bijzonder u zelf aangaat, maar dat ook van beslissenden invloed kan zijn op de volkomen genezing der zieke en het ver dere geluk van uw gezin. Wil gelooven dat ik me in deze zaak enkel en alleen heb laten leiden door be langstelling in uw familie en 't verlangen haar weer gelukkig te zien. In afwachting. Rodenberg, pastoor. Dupont vouwde den brief dicht en stak hem in zijn portefeuille. Dan poogde hij iets te gebruiken. Maar 't ging niet; zijn gemoed was te vol. Er lag hem iets op 't hart, dat hem dreigde te doen stikken, zoo hij er niet met iemand over spreken kon. Hij stond op en begaf zich naar het slaap kamertje van Engelbert. Hij zette de kaars ZEN UW-TABLETTEN op de commode; haar matte schijn viel op het smalle gezicht van den knaap, die de handen gevouwen hield op de borst als tot een innig, warm gebed. Door den slaap was zijn gelaat zacht-rood getint; zijn trek ken ademden een stillen, heiligen vrede. Dupont zonk op een stoel naast het bed neer; een heftig verlangen kwam in hem op, zijn jongen aan zijn hart te drukken, hem te kussen en door de hartstochtelijkste blijken van teederheid tot wederliefde te dwingen. Want ach! de knaap had immers het vertrouwen in zijn vader verloren. Had hijzelf hem niet van zich afgestooten, hem ook niet losgescheurd van 't hart zijner moe der en deze daardoor tot wanhoop en haast tot krankzinnigheid gebracht? Wat waren ze vroeger beiden toch ver blind geweest, toen ze meenden dat bij 't huwelijk de liefde alles is, en dat het ver schil in geloof en godsdienstige opvattingen een weinig beteekenis mag heeten voor den vrede en 't geluk in het huisgezinAch, hoe hadden de gebeurtenissen hem ont goocheld, met welke een schrikwekkende duidelijkheid zag hij nu in dat hij feitelijk nooit volkomen met zijn vrouw en kinderen had meegeleefd en den laatsten tijd zelfs met ruwe hand hun levensgeluk had ver woest, en dat alles alleen om 't verschil in geloofsopvattingen, ondanks de warme liefde, die hij hun in zijn hart toedroeg Het ellendige van zijn toestand viel nu met volle kracht op hem neer. Een zware zucht ontsnapte aan zijn gefolterd hart en zijn gelaat met de handen bedekkend, begon hij luide te snikken. Engelbert schrok wakker: „Vader,vader, wat is er gebeurd?... Dood? Is moeder dood?"... Meteen vloog hij overeind en greep zijn vader bij den arm. Wordt vervolgd. Hoort ge niet wat ik u vraag herhaalde Chaumette. De knaap bleef zwijgen. Hij kan heel goed hooren als hij wil, maar hij is koppig, zei Simon. Spreek, Capet! beval Henriot. Ge moet den rechters ten antwoord staan. De knaap zweeg nog altijd, maar hij beefde. Simon liep naar hem toe, hield hem zijn vuist onder de neus en schreeuwde op kwaad- aartigen toon Wilt ge spreken, kleine Wolf? Houd u bedaard, Simon! gebood Chau mette. Hij wilde immers! een „vrijwillige" beken tenis hebben. Zeg me eens, Capet, hield uw moeder veel van u De knaap volhardde bij zijn zwijgen. Men zegt dat zij u niet beminde, hernam Chaumette. De lippen van den knaap vertrokken tot een lachje. Hij heeft me zelf gezegd dat zij hem maar al te veel liefhad, schreeuwde Simon. Zij heeft hem niet bemind als haar kind, maar als een Is dat waar, Capet? hebt ge dit bekend? Hebt ge die beschuldiging geuit? De knaap bleef hardnekkig zwijgen.

DIGITALE PERIODIEKEN IN DE VOORMALIGE GEMEENTEN HELDEN, MEIJEL, KESSEL EN MAASBREE

Midden-Limburg | 1934 | | pagina 1