lYllllilCll m^jèill M U-JL s* J. H. Bcrendsen MARIA ANTOINETTE No. 30 ZATERDAG 6 October 1934 ZEVENTIENDE JAARGANG De Rozenkrans - maand. Twee gelooven in één huis. te Helden-Panningen Tandarts tc Venlo, Spreekuren bij H. Aerdts, Advertentieprijsva» 1-5 Dit blad verschijnt eiken SfflÊfc |g| «egf <rig§ Hf «f regels f 0.50; elke regel Zaterdag. Abonnements H& JBpJ fill Cnj BB meer 10 ets. Grootere prijsper jaar f2.-,franco WÊk BBÊË W$ fH n tfl| ilMIfc mnjffTii *^dBh JM letters en vignetten naar aan huis bij vooruit- imlg tfgg J^fS R W^^Tsl BHBI R R plaatsruim - e. betaling Losse mm,- I WgkM H WÊ E I I mksPsiÊm M| BB HB jilBBBBBI BUF Reclame-annonces tus- stukken worden inge- W «HHfc «•j|p»V "WIP"»» ffi*" iB Van advertenties, welke wacht tot Donderdag- - T# - - i j de uitgever, om redenen morgen 10 uur. l\lI011\*7C_ AH A fl V Al*f Atlf 1 A O 1 H H te zijner beoordeeling, llICUWtJ v li flU V VI tVlHIvUICIU —-rrrr' nietverlangtteplaatsen, gewacht tot uiterlijk ieleioon nr 8, Panningen. Postcheque giro tone. wordt de oiigineeleco- Vrijdagmorgen 10 uur. -Adres Voor Redactie en Administratie L. KASSTEEN, Helder-Panningen. pie niet teruggegeven. Nu strenglen wij weêr rozen samen Tot eenen maagdelijken krans, Al prijkt de dorre najaarsgaarde. Die ons slechts enkle rozen spaarde, Niet meer in zomerzonneglans. De rozenkrans, die wij U strenglen, o Reine Maagd, o Moeder zoetl Groeide in geen aardsche rozengaarde, Waar frissche morgendauw zich paarde Aan warmen zomerzonnegloed. Hij groeide in 't trouwe kinderharte En blijft er bloeien U ter eer, Trots najaarsstorm en winterkoude, En steeds ontvouwen zich naast de oude Weêr nieuwe knoppen meer en meer. Gij kent die roode hartebloemen, Die zinnebeelden onzer trouw, Die in geen jaargetij verwelken, Zij ademen uit hare kelken En groet voor U, o Lieve Vrouw! EVANGELIE 20e Zondag na Pinksteren. Joan. 446 53, Hij kwam dan weder naar Cana van Galilea, waar Hij het water in wijn had veranderd. En er was een hofbeambte, wiens zoon te Capharnaum ziek lag. Deze vernam Jesus' aankomst uit Judea in Galilea, en kwam naar Hem toe en verzocht Hem af te komen en zijn zoon te genezen, want hij lag op sterven. Jesus dan zeide tot hem Indien ge geene teekenen en wonderen ziet, gelooft ge niet. De hofbeambte zegt tot HemHeer, kom af, eer mijn kind sterft. Jesus zegt hem: Ga, uw zoon leeft. De man geloofde het woord, dat Jesus hem zeide, en ging. Maar reeds op den afweg ont moetten hem de dienaren met de boodschap, dat zijn zoon levend was. Hij ondervroeg hen dan naar het uur, waarop de beter schap was ingetreden. En ze zeiden hem: Gisteren, te zeven uur, heeft de koorts hem verlaten. De vader begreep dan, dat dit juist het uur was, waarop Jesus hem gezegd had: Uw zoon leeft, en hij geloofde, hij en geheel zijn gezin. V. Lang had de aan zichzelf overgelaten knaap vóór zijn bed op de knieën gelegen: als dan nog immer geen reddende gedachte opdaagde in zijn geest, schreide zijn hart luidop: „Mijn God, kom mij te hulp! Help mij, mijn God, help mij! Ik weet waarlijk niet wat ik moet doen. Helpt Gij mij!" Andere woorden vond hij geen. Maar ook deze enkele kreet was reeds doorge- FEUILLETON. Romantisch verhaal naar het Fransch. 175 Eerst den volgenden dag bracht men haar naar de raadzaal. Een houten beschot deelde die zaal in twee helftendat beschot was zoo hoog, dat men, om er over heen te zien, op een stoel moest gaan staan. De eene helft der zaal was voor de koningin bestemd, de andere helft voor hare bewakers. Een gordijn in het midden van het beschot, diende tot deur. De vensters waren getralied, de vloer was van vierkanten tichels. Het behangsel was van de muren gerukt, maar hier en daar zag men nog de lelieën van 't koninklijk wapen. Het meubilair van de kamer der koningin, bestond uit een ledikant dat tegenover het venster stond en een stoel. De koningin verzocht om een lectuur en een handwerk. Men bracht haar de geschiedenis der revo lutie in Engeland. De reizen van den jongen Anachaisis en een borduurwerk, waaraan zij reeds in den Tempel was begonnen. De Gendarmen, die tot haar bewakers waren drongen tot Gods vaderhart: Hij had het smartvol verzuchten van zijn kind gehoord. En voor de vochtige oogen van den knaap doemde nu een zacht en mild beeld op, het beeld van den man, wiens lessen hij tot voor kort geleden bij't Communieonderlicht gevolgd had. Het kon toch niet verkeerd zijn, nu hij niemand meer had, wien hij zijn twijfel kon voorleggen of raad vragen, zoo hij den ouden priester eens ging opzoeken om hem zijn toestand bloot te leggen. Deze gedachte druppelde als balsem neer op zijn zoo zwaar gekwelde hart. Hij spiong op, droogde zijn tranen en koelde zijn bran dende oogen met koud water af. Dan trok hij zijn Zondagsche kleeren aan en verliet in stilte 't huis. Ach, niemand verhinderde 't hem, niemand immers lette nog op hem. Reeds had hij een ei d van den weg afge legd, toen 't hem inviel, dat hij zijn moeder toch wel eerst verlof had kunnen vragen. Hij keerde terug en liep 't huis door om zijn moeder te zoeken. Hij vond ze in een stil hoekje van een aan de achterzijde van 't huis gelegen kamer, waar ze den laatsten tijd gewoonlijk zat. Voor haar op een stoel stond het korfje met vesstelgoed in de eene hand had ze een kous, in de andere een stopnaald. Maar ze werkte niet. Ze had weer dien starren, zielloozen blik, die hem zoo beklemmend aandeed. Ze scheen van zijn binnenkomen niets gemerkt te hebben; ze verroerde zich niet en bleef vast en doelloos voor zich uitstaren. Een oogenblik zag Engelbert haar diep be droefd aan. Wat was ze in die enkele we ken toch veranderd! Twee scherpe groeven lagen nu aan weerszijden van den mond; de wangen waren geelbleek en ingevallen; de groote, opengesperde oogen stonden on afgewend te staren naar één punt, als ge boeid door iets ontzettends. Hoewel hij pas twaalf jaar telde, was Engelbert's verstand reeds genoeg ontwik keld om te beseffen hoeveel verwoestingen het leed den laatsten tijd in 't gemoedsleven zijner moeder had aangericht, en wat hem nog aan levenservaring ontbrak, vulde zijn klein, maar aan kinderliefde zoo rijk jongens hart aan. Het zien van het door 't lijden geteisterde gelaat zijner moeder deed ziin hart van pijn en medelijden ineenkrimpen. „Moeder, moeder!" fluisterde hij zacht; en een 3troom van liefde welde met dien in angst uitgesproken naam uit zijn hart op. Maar zij merkte niets van dien angst en die liefde. Ze schrok slechts, gelijk ze den laatsten tijd telkens deed, wanneer Engel- bert haar aansprakhet was een haast ziekelijke trek bij haar geworden. „Engelbert, ben je weer daar? Kun je me dan geen oogenblik met rust laten?" Ze wierp kous en stopnaald in 't mandje en sprong op van haar stoel. Engel bert ging met den rug tegen de deur staan en versperde haar den doortocht met zijn armen. „Moeder, gaat nu niet heen! Ik moet noodzakelijk met u spreken; ik kan 't niet langer uithouden! Wat heb ik u toch ge daan, moeder? Ge doet zoo zoo vreemd tegen mijGe zijt zoo onverschillig en koud! En ge weet toch hoe innig lief ik u heb, hoe innig lief! „Jij me liefhebben?" lachtte ze luid; maar in 't oor van den knaap klonk haar lachen als een woeste smartkreet. „Hoe zou je je moeder nog kunnen liefhebben, nu ze jou en je broertjes in 't ongeluk ge stort heeft?" „Maar, moeder toch, hoe kun je zóó spreken? Ge hebt het immers niet gewild; aangesteld, heetten Duchesse en Gilbert. Zij mochten de koningin niet uit het oog verlie zen en moesten op al haar bewegingen letten. Zij zouden niet vervangen worden, uit vrees dat omgekochte personen voor hen in de plaats konden komen. De koningin, die alles wat haar bewakers met elkander spraken verstond, vernam uit hun gesprekken, dat zij tot haar vaste bewa kers waren aangesteld en dit verheugde haar, want ofschoon wel was te veronderstellen dat deze bewakers de Republiek toegedane per sonen waren, behoefde zij nu toch niet te vreezen, dat zij telkens andere lieden om zich heen zou hebben. Reeds den eersten avond zou zij ondervinden hoe afhankelijk zij van de gendarmen was. Een van hen rookte volgens zijn gewoonte een pijp, de rook verspreidde zich natuurlijk door de kamer, en de koningin, die niet aan tabakslucht gewoon en bovendien zwak en verkouden was, moest hevig hoesten; zij werd misselijk en kreeg hoofdpijn. Hoezeer zij hierdoor ook gek «veld werd, bleef zij aan haar stelsel om geen klacht of verzoek te uiten. Zij vreesde een weigerend antwoord te zul len ontvangen, en haar trotsch verzette zich daartegen, ter wille van lichamelijk lijden zich aan een vernedering bloot te stellen. gij hebt alles gedaan om 't te voorkomen. U kunt toch geen schuld hebben." „Zwijg, Engelbert, o zwijg! Zie je niet hoe je woorden me folteren 1 Ik kan het je niet uitleggen waarom ik, en ik alleen, de schuld draag van alles; maar als je me werkelijk lief hebt, spreek er dan nooit meer over, kind, nooit!" „Ge vergist u, moeder, als ge meent dat ik ongelukkig ben. Ik heb niets gedaan of hoeven te doen, waardoor ik ontrouw zou zijn geworden aan mijn Geloof. De onder wijzer is zeer goed voor mij. Hij weet dat ik katholiek wil blijven en verlangt daarom nooit van mij, wat ik niet zou mogen doen. Als u mij nu maar wilde helpen om op tijd mijn plechtige H. Communie te kunnen doen, daa komt alles wel weer in orde." „Je gaat naar de protestantsche school en je zoudt het katechismusonderricht willen volgen! Meen je dan dat zoo iets gaat, dat de dominee het zou toelaten? Neen, mijn jongen, mijn arme, arme jongen!" Zij sloeg de handen voor 't gelaat en bleef immerdoor herhalen: „Arme, arme jongen Het had iets van waanzin. Engelbert schrok ervan. „Moeder, moederlief, ik ben geen arme jongen; ik heb u immers nog, en zoo urne maar een weinig wilde helpen, dan"... „Hoe zou ik je kunnen helpen?" „Och, als u eens naar den heer Pastoor zoudt gaan" „Ik naar Pastoor!" riep ze ontzet, en met oogen, vol verschrikking, staarde de arme, gefolterde vrouw haar kind aan. „Wanneer u 't niet graag doet, zal ik wel gaan. Ik weet dat meneer Pastoor me goed zal ontvangen; hij is altijd zoo vrien delijk tegen me geweest". „Je wilt naar hem toe om je moeder aan te klagen!". „Moeder, hoe kunt u nu zoo iets zeggen! Wat zou ik u aanklagen? Ge hebt het im mers niet gewild. Ik zal meneer Pastoor eenvoudig zeggen hoe 't gekomen is, en hoe vader ook slechts uit nood gehandeld heeft, wijl hij niet anders kon. „Wijl hij niet anders kon", herhaalde zij eenige malen achter elkaar, en liet zich dan van uitputting op een stoel vallen. En weer kwam die haast waanzinnige starheid in haar blikken, terwijl ze gedachteloos her haalde: „Niet, moedertje, gij gelooft toch ook dat alles weer in orde komt, als ik naar meneer Pastoor ga?" „Alles komt weer in orde, alles komt weer in orde!" sprak ze hem na, maar op zulk een stompzinnigen toon en met zulk een, aan krankzinnigheid grenzend knikken met 't hoofd, dat Engelbert wel moest in zien dat zij niet meer besefte wat ze zeide. In zijn angst greep hij haar koude hand en legde zijn gloeiende wang tegen de hare. „Moeder, hoort ge niet?" fluisterde hij met de angstigste teederheid„moeder, treur toch zoo niet! Ge weet immers hoe innig ik u liefheb!" Bij die aanraking was 't of ze uit een zwaren, benauwden droom ont waakte. Ze kuste hem innig en zei: „Ja, ik geloof je, Engelbert; je bent mijn beste, brave jongen. Maar je moet je zelf helpen. Ik kan 't niet. 't Is me soms zoo dof en duister in 't hoofd. Mijn God, wat zal daar nog uit groeien!" „Ge moogt niet ziek worden, moeder Wat zouden we aanvangen zonder u? Ik ga nu even, maar ik ben zoo terug. Dag, moeder!" „God sta je bij, mijn jongenantwoordde Zij bleef gansch den nacht slapeloos en door misselijkheid gekweld op haar legerstede. Den volgenden morgen toen zij was opge staan en zich had aangekleed, ging zij bij het getraliede venster zitten, om althans den blau wen hemel te kunnen zien. In de vermagerde hand had zij een boek. Zij wilde het doen voorkomen alsof zij las, maar zij had het alleen in de hand om er de oogen te kunnen op vestigen, wanneer men haar mocht bespieden. Dit laatste geschiedde spoedig. Het geluid van zachte schreden waarschuwde de koningin dat er personen naderden en zij boog het hoofd over het boek. De gendarmen openden ten halven de portiere en zagen de koningin aan het venster, het hoofd beschenen door het morgenlicht, dat door verdriet en zorgen reeds zilvergrijze, maar aan de slapen nog goudblonde haar om speelde. Zie eens, fluisterde Gilbert zijn kameraad toe, wat is zij bleek! Zij heeft geweend, haar oogen zijn rood van 't huilen. Zij moet ont zettend lijden. Ja, ja, antwoordde Duchesne. Maar toch geloof ik niet dat zij geweend heeft. Men zegt dat de weduwe Capet te trotsch is om te weenen. Dan is zij zeker ziek, hernam Gilbert, en naar de koningin gaande, vroeg hij met ze met haar gewone, toonlooze stem, terwijl ze weer kous en stopnaald ter hand nam. Engelbert snelde naar. den Pastoor. De weg viel hem dubbel zwaar: hij moest hem nu alleen afleggen zonder zijn moeder; en hij zou dit wellicht immer moeten doen. „Kijk, daar hebben we Engelbert Du- pont!" zei de oude pastoor, toen de meid den knaap binnenliet. „Ik dacht dat je me heelemaal vergeten waart; je bent niet eens afscheid komen nemen, toen jullie uit de parochie vertrokken zijt. Dat kom je nu zeker goedmaken, Engelbert?" „Ach neen, meneer Pastoor, ik zou zoo graag bij u 't katechismusonderricht blijven volgen! Daarom juist kwam ik." „Dat zal moeilijk gaan, mijn jongen. Je woont nu in een andere parochie. Je hoort er thuis; daar moet je dus naar de katechismus." „Och, meneer Pastoor, u alleen kan ik vertrellen wat er met ons is voorge vallen." GEVESTIGD Woensdagmorgen van 11 1 uur en Zaterdagmiddag 2 5 uur De oude geestelijk zag den knaap een oogenblik oplettend aan. Er moest iets ernstigs gebeurd zijn. Het anders zoo open en kinderlijk onbevangen gelaat zag er nu veel ouder uit; er lag iets angstigs en schuws in de blikken. „Wat is er dan geschied, Engelbert?" vroeg hij minzaam. „Vader... heeft ons op de prote stantsche school gedaan, mij en mijn broertjes!" Met een zucht was 't eruit gekomen en beschaamd liet de knaap nu 't hoofd han gen. De pastoor staarde een oogenblik sprakeloos voor zich uit. Daar Engelbert steeds trouw den katechismus had bezocht en een van zijn beste leerlingen was, had hij heelemaal uit het oog verloren dat de jongen uit een gemengd huwelijk sproot; hij begreep dan ook niet aanstonds wat die protestantsche school hier te maken had. Eerst na een oogenblik hernam hij: „Zoo!... En je moeder, wat zegt die daarvan?" „Ach, meneer Pastoor, ze doet den laatsten tijd zoo... vreemd! Ze schijnt soms wel zinneloos van angst en leed." „Heeft zij je gestuurd?" „O neen, neen! Zij zou niet durven! Zij is zoo bang gewordenMet mij spreekt ze nog maar nauwelijks. En als ik haar iets vraag, den antwoordt ze steeds dat zijzelf van alles de schuld draagt." Wordt vervolgd. een stem, waarin onmiskenbaar een uitdruk king van medelijden lag Weduwe Capet, zijt gij ziek? De koningin richtte het hoofd op en sloeg een uitvorschenden blik op haar bezoeker, als wilde zij onderzoeken met welke bedoeling hij haar dit vroeg. Spreekt ge tot mij vroeg zij zacht. Ja, burgeres! Ik vraag of ge ziek zijt. antwoordde Gilbert. Waarom denkt ge dat? hernam de ko ningin. Omdat uw oogen rood zijn, sprak Gil bert. En ge er zoo bleek uitziet, voegde Duchesne er bij. Ik dank u, heeren, voor uw belangstel ling, indien zij oprecht is. Maar ik ben niet ziek, ofschoon ik een slechten nacht heb gehad. Ja, ja, ge hebt zwaar verdriet. Dat is het niet, heeren! Mijn verdriet is altijd hetzelfde en ik zoek vertroosting in het gebed. Ik zie er lijdend uit, omdat ik den ge- heelen nacht niet geslapen heb. Waarschijnlijk door de verandering van woning en van legerstede. Dat is de oorzaak niet, heeren Wat dan Wilt ge dat ik u de oorzaak noem Ja!

DIGITALE PERIODIEKEN IN DE VOORMALIGE GEMEENTEN HELDEN, MEIJEL, KESSEL EN MAASBREE

Midden-Limburg | 1934 | | pagina 1