Nieuws- en Advertentieblad J» H. Berendsen MARIA ANTOINETTE No. 29 ZATERDAG 29 September 1934 ZEVENTIENDE JAARGANG Adres voor Redactie en Administratie L. KASSTEEN, Helden-Panningen.' Twee gelooven in één huis. IV. Zoolang de zaak nog niet haar beslag had gekregen, had juffrouw Dupont niet opgehouden haar man te bidden en te smeeken, hun toch niet een zoo ontzettend leed aan te doen. Dupont was echter bij zijn besluit gebleven. Om aan de gedurige beden en klachten van zijn vrouw te ont komen, was hij veel meer dan vroeger uit huizig; tenslotte zagen de kinderen hem nog maar alleen gedurende de maaltijden. Zoo was toen reeds van lieverlede vervreemding ontstaan tusschen den vader en degenen, die hem toch 't naast stonden in 't leven. te Helden-Panningen Tandarts te Venlo. Spreekuren t>ï! H. Aerdts, Midden Limburg l)it blad verschijnt eiken Zaterdag. Abonnements prijs per jaar f2.-, franco aan huis bij vooruit betaling Losse num- rcitra 5 cent. ingezonden en andere stukken worden inge wacht tot Donderdag morgen 10 uur. Advertenties worden in gewacht tot uiterlijk Telefoon nr 8, Panningen. Vrijdagmorgen 10 uur. Advertentieprijs va» 1-5 regels f 0.50; elke regel meer 10 ets. Grootere letters en vignetten naar plaatsruimte. Reclame-annonces ws- schen den tekst 20 ets. per regel. Van advertenties, welke de uitgever, om redenen te zijner heoordeeling, o 1nietverlangtteplaatsen, Postcheque giro 157lo. Wordt de oiigineeleco- pie niet teruggegeven. GELUKKIG ZIJN. Wilt gij gelukkig zijn op aarde, Mijn vrienden, weest tevreên; Waar ontevredenheid zich nestelt, Daar is 't geluk reeds heen. Neen, in de woningen der grooten Woont niet 't geluk altijd Och neen, wat schijnt benijdenswaardig, Is vaak niet waard benijd. Wel hem, wel hem die kan berusten In 't hem beschoren lot Hij smaakt wat rijken vaak niet kennen, Het hoogste zielsgenot. Of bidden wij niet alle dagen Alleen om 't daaglijksch brood, Zooals de arme, goede Heiland De Apostelen gebood? Waar God niet woont, gelooft t, mijn vrienden, Heerscht ontevredenheid; En waar die heerscht, daar wordt t geluk ook De deur meë uitgeleid. EVANC5ELIE 19e Zondag na Pinksteren. Matth. 22 2—14. Het rijk der hemelen is gelijk aaa een koning, d e een bruiloftsmaal voor zijn zoon had bereid. En hij zond zijn dienaren om de genoodigden tot de bruiloft te roepen, en zij wilden niet komen. Wederom zond hij andere dienaren en sprakZegt aan de genoodigden: Ziet, ik heb mijn maaltijd ge reed, mijn ossen en mestvee zijn geslacht en alles is bereidkomt ter bruiloft. Doch zij sloegen er geen acht op en gingenheen.de een naar zijn hoeve, de ander naar zijn handelszaken. De overigen grepen zijn die naren aan, mishandelden en doodden hen. Toen de koning dit vernam, ontstak hij in toorn en hij zond zijn leger en verdelgde die moordenaars en stak hunne stad in brand. Toen zeide hij tot zijn dienarenHet brui- lofstmaal is wel gereed, maar de genoodigden waren het niet waardig. Daarom gaat naar de kruispunten der straten en noodigt op de bruiloft allen, die gij zult aantreffen. En zijn dienaren gingen de straten op en ver zamelden allen, die zij aantroffen, slechten en goeden; en de bruiloftszaal werd gevuld met gasten. De koning nu trad binnen om de aanliggenden te zien, en hij zag een man, die niet in bruiloftskleed was gedost. En hij zeide hem: Vriend, hoe zijt gij binnenge komen zonder bruiloftskleed? En deze ver stomde. Toen zeide de koning tot zijn die naren Bindt hem handen en voeten en werpt hem daarbuiten in de duisternisdaar zal het geween zijn en het gekners der tan den. Want velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren. FEUILLETON. Romantisch verhaal naar het Fransch. 174 Hat waren ruwe, sombere tijden. De Republiek sleurde ongenadig al degenen naar het schavot die baatzuchtige, eerlooze, laffe kerels met den vinger aanwezen. Huiszoeken werden gedaan, de bewoners in de gevangenis geworpen en des 's morgens had den in de gevangenissen de afroeping der namen van de ter dood veroordeelden plaats. Dit was een hartverscheurend schouwspel kinderen omhelsden schreiend hunne ouders, vrouwen haar echtgenooten, men sprak elkan der moed in, doch wanneer de deur, de wijde poort der gevangenis open ging, rees als een akelige nachtmerrie de met veroordeelde ge vulde schavotskar op. En de rampzalige kar reed dagelijks ver scheidene malen van de gevangenis naar het schavot heen en weer en voerde naar den dood het edelste bloed van Frankrijk, grijsaards, vrouwen, mannen in de volle kracht des le vens, ja, zelfs onschuldige meisjes. De gemeenteraad van Parijs en de sectieën der stad eischten dat de weduwe Capet en de Dupont had alzoo zijn doel bereikt. Hij was tot boekhouder benoemd en met zijn gezin uit de zeer bescheiden woning in de stad vier kamertjes ergens op de derde verdieping naar de ruime ambtswoning met flinken tuin verhuisd. Hij kreeg nu een salaris, waarvan hij ruim kon leven; in de directiegebouwen stond een gezellig inge richte kantoorkamer te zijner beschikking. Dupont had zijn doel bereikt. Gelukkiger was hij er niet om geworden. Zeker niet. In de vroegere woning had boven de deur van de huiskamer een door juffrouw Dupont geborduurde huiszegen ge hangen, welke in de nieuwe woning geen plaats meer had gevonden. Bij 't verbuizen was hij in een commode terechtgekomen, en was daar blijven liggen, ,,'t Heele huis zou me een groote, gedurige leugen schijnen, zoo die schilderij er een plaatsje kreeg," had de moeder met bitteren weemoed tegen Engelbert gezegd. Want de spreuk luidde: Waar geloof heerscht, daar heerscht liefde, Waar liefde heerscht, daar heerscht vrede, Waar vrede heerscht, daar heerscht God. Ach ja, het geloof was er nog wel, maar het moest zich in de nieuwe omgeving ver bergenhet was als een schuwe vogel, die gedurig opgejaagd dreigt te worden en niet langer zijn vleugels vrij kan uitslaan. En daarom verschrompelde zijn levenswarme hart en ging ook de liefde kwijnen. De engel, met de gouden lichtster op 't voorhoofd, had dit voorzien en was niet meegevlogen naar de nieuwe, ruime woning. En nu voel den zich daar allen, jong en oud, 't hart zoo beklemd! De engel des vredes had er zijn intrek niet genomen; met hem was ook 't milde licht van zijn ster verdwenen: het huiselijk geluk. Van den dag af, dat Dupont de jongens naar de protestantsche school gebracht had, was die toestand nog verergerd, 't Scheen wel of een ruwe hand meedoogenloos alle banden had doorgesneden, die hem aan vrouw en kinderen hechtten. De moeder klaagde niet meer ze weende ook niet meer maar haar blik had een starheid gekregen, welke Dupont en de kinderen den schrik om 't hart joeg. Ze leek nog maar de schaduw van wat ze vroeger was geweest. Ze verrichtte haar werkzaamhenen, als een levende machine; vooral wanneer Dupont er was, leek bet huis als dood: het had geen ziel meer, geen hart. Na de verhuizing moesten nieuwe méu- belen gekocht worden, wijl die uit de vorige woning niet toereikend waren om de zoo veel grootere ruimte te vullen. Dupont ver zocht zijn vrouw met hem mee te gaan om samen een keuze te doen. Ze schudde 't hoofd. Met haar verwilderden blik staarde gevangen genomen Girondijnen eindelijk zou den worden terechtgesteld. 't Wordt tijd, riep een Jacobijn, dat de zeis der gelijkheid over alle hoofden varen. Wetgevers, verwekt den schrik onder onze vijanden Dit volk, zei Robespierre, 't welk de stem der waarheid en de taal van het gezond ver stand op zoo een krachtige wijze laat hooren, moet vrij zijn, want het is even verlicht en grootmoedig als dapper. De Nationale Konventie moet zich door zijn handelingen zulk een volk waardig toonen. 't Is noodzakelijk dat het bloed van onze vijanden vloeie, sprak Drouet. Wat bekommeren we ons om den naam, waarin we bij Europa staan Wat waren de vruchten onzer zachtmoe digheid en toegeeflijkheid, die wij voor groot moedigheid hielden Noemde men ons niet overal booswichten, roovers en moordenaars Laten we dat voor de vrijheid zijn! Billaud Varennes deed het voorstel zich nu eens met het lot van de weduwe Capet bezig te houden, „van een man die de schande der menschheid en van haar geslacht was?' Den 2 Augustus 1793, werd de koningin uit den Tempel naar de Conciergerie overgebracht. Municipaal-beambten kwamen des nachts on verhoeds haar slaapkamer binnen, maakten ze hem een oogenblik aan en zei dan„Koop wat je wil; ik raak 't nieuwe geld niet aan: je hebt daarvoor de ziel van je kin deren"... Ze sprak 't harde woord, dat haar op de lippen lag, niet uit en verliet haastig de kamer. Om dezelfde reden, al had ze dit haar man niet openlijk gezegd, weigerde ze ook voor zich zelf en de kinderen nieuwe klee- ren te koopen, meer overeenkomend met den grooteren welstand, welken ze thuis genoten. Ze ging door 't huis met afwezigen blik en star, gesloten wezen; voor niets toonde ze meer belangstelling, met niemand deelneming. Het leek wel of ze niet langer echtgenoote was en minnende moeder, maar enkel een betaalde, om 't brood werkende dienstbode, wier hart en geest elders zijn. Engelbert leed nog 't meest onder de ver andering, welke met de moeder plaats greep. Gedurende de droeve dagen, welke den noodlottigen stap vooraf waren gegaan, was hij haar steun en vertrouweling geweest; nooit nog had zij zich zoo innig liefhebbend en hartelijk in den omgang getoond. O, dat ze nu weer met hem handelde, gelijk ze toen deed! Hij had er zoo'n behoefte aan, zich uit te spreken, haar alles te vertellen wat er met hem op de nieuwe school gebeurde, haar hulp en raad in te winnen bij de moeilijkheden, welke hij op zijn weg ont moette Naar neen; sinds hij op de protestantsche school was, luisterde ze niet meer naar hem. Wanneer hij met zijn vragen tot haar kwam, antwoordde ze met doffe, toonlooze stem, welke hem den angst om't hart joeg„Arme jongen, ik weet het niet, ik kan je niet hel pen; je moeder draagt zelf de schulp van alles." „Moeder, moeder, hoe kunt ge zóó spre ken? Moeder, luister nu toch 's even".... Maar ze wendde zich dan steeds van hem af, ging naar de keuken, en wanneer hij ze ook daar volgde, zag zij hem streng en af wijzend aan of ging naar haar slaapkamer en deed de deur op slot. Meer dan eens had de arme jongen het beproefd, zijn hart voor zijn moeder uit te storten; telkens met hetzelfde droevig ge volg. Toen dit zekeren middag weer ge beurde, kon hij 't niet langer uithoudenhij sloop naar zijn slaapkamertje en liet zich voor 't bed op de knieën vallen. En daar weende en snikte hij of zijn arm jongens hart er van breken zou. 't Was hem opeens of hij zijn vader en moeder verloren had ja, ook zijn moeder, nu, op een oogenblik, dat hij haar hulp en liefde zoozeer behoefde, 't Scheen hem dat ook zijn moeder zich niet meer om zijn Geloof bekommerde. Wel bad ze 's morgens en 's avonds nog met hem, zijn broertjes en zusjes, maar 't klonk nu zoo arm en zielloos, zoo geheel anders als vroeger, 't Was gelijk de klank eener ge- barste klok. In den kerktoren hirg zoo'n klokje, dat een barst had onder aan den rand en bij 't aanslaan een heeschen, klage- lijken toon gaf. In zijn preek had de oude pastoor eens bij den klank van dit klokje het gebed vergeleken, zonder kracht en zonder liefde, der Christenen, wier hart door de zonde als gebarsten is. „O God," dacht Engelbert opeens, „zou mijn moeder tot zulke zielen behooren? Neen, o neen, dui zendmaal neen!... En toch waarom gaat ze niet meer"... Met den moed der vertwijfeling trachtte hij die gedachte van zich af te houden. Maar 't ging niet. Want zoo was 't inder daad. Sedert hij en zijn broertjes de prote stantsche school bezochten, ging ze niet meer Zondags naar de Mis. Hoe folterde hem deze gedachte thans, nu hij zich eenigszins dien plotselingen om mekeer in zijn moeder trachtte te verklaren Waarom toch was zij, die zich altijd vol liefde en toewijding voor hen had getoond, nu opeens zoo koud en onverschillig ge worden? Waarom ging ze niet meer met hen naar de kerk? Waarom bad ze niet meer, zooals vroeger? Hoe Engelbert zijn hersens ook af matte, hij vond geen antwoord op die bange vragen, en hij had ook niemand, wien hij ze zou kunnen voorleggen. In zijn jeugd en onervarenheid kon hij immers niet vermoeden welk een zielestrijd zijn moeder doorworstelde in die bange da gen. Het ging met haar waarlijk als met het gebarsten klokje; ook in haar hart was iets gesprongen. Nu eerst zag ze in hoe zwaar de gevolgen kunnen zijn van een ge mengd huwelijk, en ze begon te wanhopen aan Gods vaderlijke goedheid en barmhar tigheid. GEVESTIGD Woensdagmorgen van 11 1 uur en Zaterdagmiddag 2 5 uur Toen haar man den hardnekkigsten weer stand bleef bieden aan haar smeekingen en de kinderen op godsdienstig gebied van haar scheidde, waren al de vermaningen weer in haar geest opgekomen, waarmee haar ouders en zielzorger ze destijds van 't verkeer met een anderdenkende hadden trachten af te houden. Ze had al die ernstige bedenkingen in den wind geslagen, haar eigen wil door gedreven, blindelings vertrouwend op de be lofte van den man, dien zij liefhad. Nu ze zich in haar heiligste verwachtingen bedro gen zag, had die woordbreuk van haar man ze getroffen als een mokerslag. Ze kwelde zich met zelfverwijten, scheef het gebeurde uitsluitend aan zichzelf en eigen zwakheid toe, en meende dat zij nu in leven en dood van alle vertroostingen van den godsdienst was uitgesloten. De brandende schaamde, te moeten bekennen wat in haar gezin was voorgevallen, hield er haar van terug, haar lijden en gewetensangsten toe te vertrouwen aan haar biechtvader, die alleen haar had kunnen helpen. Zoo bezweek ze steeds meer in den strijd met den Bekoorder, gaf ze haar hart over aan den geest van wantrou wen aan Gods barmhartigheid, en zonk steeds dieper weg in den afgrond van wan hoop en bangsten zielenood. Elk woord, elke vraag van Engelbert was haar als een nieuw verwijt en bereidde haar nieuwe angsten. Hierdoor laat het zich ver klaren dat zij zich steeds meer afzonderde en elke vraag van haar jongen schuw af wees. Wordt vervolgd. haar wakker en lazen haar het dekreet van de Konventie voor. „Maria Antoinette, weduwe Capet, aldus luidde het dekreet, zal voor een buitengewoon gerechtshof worden terechtgesteld en daartoe dadelijk naar de Conciergerie worden ver voerd. De koningin stond zwijgend op en zocht de weinige zaken die zij nog had, terwijl hare dochter en prinses Elisabeth tevergeefs debe- beambten smeekten, haar te mogen vergezellen, tn het bijzijn der beambten moest de konin gin zich aankleeden. Men ontnam haar de laatste dierbare ge dachtenissen, die zij nog had bewaardeen paar lokken van haar echtgenoot en kinderen, een notitieboekje en een portret van prinses Lamballe. Men liet haar niets anders dan een zakdoek, om haar tranen te drogen, en een reukfleschje voor het geval dat de krachten haar mochten begeven en zij in zwijn mocht vallen. De koningin drukte haar dochter aan het hart en nam een roerend afscheid. Zij zeide tot haar, dat ze nu haar tante als moeder moest beschouwen, en beval aan haar vijanden te vergeven. De kleine prinses kon van ontroering,droef heid en angst geen woord uilen. Daarna omhelsde Maria Antoinetle haar schoonzuster, smeekte haar, over haar kinderen te waken, en ging toen schijnbaar kalm, zon der een enkelen blik op haar lotgenooten in het ongeluk te werpen, den kerker uit, waarin zij zooveel had geleden en zoo vaak in haar hoop was teleurgesteld geworden. Zij had prinses Elisabeth een paar vertroos tende woorden toegefluisterd waarin zij zelve waarschijnlijk niet geloofde. Ik kom terug had zij gezegd, de Fran- schen zullen beseffen dat zij geen recht heb ben, een vreemdelinge terecht te stellen. Men bracht de koningin naar de Concier gerie. Daar waar de Quai des Fleurs en de Pont au Change een hoek vormen, verhieven zich de overblijfselen van de oude muren van 't paleis van den Heiligen Lodewijk, en die som bere muren vormden den ingang van 't paleis van justicie der Republiek. Men zag hier in een enge, akelige ruimte alles bijeen wat de justitie aan afschrikwek kende attributen bezit. Hier waren de kamers, waarheen de gevan genen werden gebracht; daar de zalen waren zij terechtstonden lager waren de kelders waarin de veroordeelden werden opgesloten. Voor het gebouw lag de kleine plaats, waar de beul met een gloeiend ijzer de gevangenen brandmerkte. Op een afstand van honderd en vyftïg

DIGITALE PERIODIEKEN IN DE VOORMALIGE GEMEENTEN HELDEN, MEIJEL, KESSEL EN MAASBREE

Midden-Limburg | 1934 | | pagina 1