Nieuws- en Advertentieblad MARIA ANTOINETTE No. 28 ZATERDAG 22 September 1954 ZEVENTIENDE JAARGANG Adres voor Redactie en Administratie L. KASSTEEN, Helder-Panningen. Twee gelooven in één huis. III. twaalfjarige jongen het reeds tot een zelf standigs godsdienstige overtuiging gebracht heeftIs 't niet, mijn jongen? Midden Limburg Dit blad verschijntelken Zaterdag Abonnement? prij s per jaar f2.-, franco aai huis bij vooruit betaling Losse num mer? 5 cent. Ingezonden en andere stukken worden inge wacht tot Donderdag morgen 10 uur. Advertenties worden in- - gewacht tot uiterlijk Teleioon nr 8, Panningen. Vrijdagmorgen 10 uur. Advertentieprijevaa 1-5 regels f 0.50; elke regel meer 10 ets. Grootere letters en vignetten naar plaatsruimte. R jciaine-annoncee tus- schen den tekst '20 ets. per regel. Van advertenties,welke de uitgever, om redenen te zijner beoordeeling, c niet verlangt te plaatsen, Postcheque o2 giro 15/18. wor(n de oiigineeleco- (;erUggegt}verli H E R F S X. Verganklijk is al 't schoone. Zoo ijdel en zoo bros; Waar is, o schoone zomer, Uw fraaie hoogtijdsdos? Hij dwarrelt langs de wegen; Hij slijkert op het pad Hij slingert aan de twijgen Ontrafeld en bespat. Straks als een lust der oogen Bewonderd en begroet, Wordt hij nu als verachtlijk Vertreden met den voet. Verwelkte bloemen zuchten Tot het verflenste groen Zoo wordt ons thans tot kerkhof Het weelderig plantsoen. En alles in het ronde Tot sterven thans bereid, Spreekt van vergane schoonheid En van verganklijkheid. EVANGELIE 18e Zondag na Pinksteren. Matth. 9:1-8. En Hij steeg in het scheepje, voer over en kwam in zijne eigen stad. En zie, men bracht hem een lamme, lig' gend op een bed. En Jesus, hun geloof ziende, sprak tot den lamme: Wees welge moed, zoon, uwe zonden worden u vergeven. En zie, eenige schriftgeleerden zeiden bij zichzelf: Deze lastert God. Maar Jesus hun gedachten bemerkend zeide: Waarom denkt gij" kwaad iri uwe harten? Wat is het ge makkelijkste te zeggen: De zonden worden u vergeven; of: Sta op en wandel? Opdat gij echter weten moogt, dat de Menschen- zoon macht heeft op aarde zonden te ver geven (hier sprak Hij tot den lamme:) Sta op, neem uw bed en ga naar huis. En hij stond op en ging naar huis. De scharen, die dit zagen, werden door vrees bevangen en verheerlijkten God, die zulk een macht gaf aan de menschen. „En wie zeg je dat je dat niet mag? Geldt bij jullie Katholieken soms niet meer het gebod: Eert uw vader en moeder?" „Zeker, vader; maar er staat ook: kinderen en ondergeschikten mogen hun ouders en overheden niet gehoorzamen, wanneer hun iets geboden wordt wat de goddelijke Wet verbiedt; men moet God veeleer gehoorzamen dan de menschen." Dupont sprong op, woedend, de aderen aan de slapen tot barstens toe gezwollen: „Wat!" riep hij uit, „zoo iets durft een FEUILLETON. Romantisch verhaal naar het Fransch. 173 Simon stak den jongen in een rood kleed en plaatste op zijn hoofd de scharlaken Jaco- bijnen muts. Heb ik u den rouw voor Marat laten afleggen, zeide hij, niettemin zult ge deze kleedij dragen en. aldus zijn nagedachtenis vereeren. De jongen rukte de Jacobijnen afnoch door bedreigingen noch door slagen kon Simon be komen dat hij ze ophield. Het kind was de dienstbode geweest der gevangenbewaarders en had duizend vernede ringen ondergaan, dit alles trok hij zich min der aan.'doch in geen geval wilde hij van het hoofddeksel der moordenaars van zijn vader weten. Vermoeid van het schreeuwen en slaan zag Simon zich verplicht te buigen. Zijn vrouw Marie Jeanne kwam tusschen beide en zei: Houd nu op den jongen te slaan, een anderen keer zal hij redelijker wezen en do muts opzetten. zoon zijn vader in 't aangezicht te werpen! Aldus verdraait jullie Gods wet, wijl het in je kraam te pas komt! God eer gehoorza men dan de menschen? De menschen! Ben ik dan maar een gewoon mensch voor jou? en niet je vader, wien je het leven en alles te danken hebt? Jullie hebt gehoord water voor mij op 't spel staat, hoe door die achterstelling heel mijn leven vergald word en nu er eindelijk uitkomst daagt, wilt jullie, in plaats van mij 't doel te helpen bereiken, eigenzinnig je kop volgen. Dat moet nu eens uit zijn en voor goed! Maar al te lang heb ik toegegeven! En zoo jullie je niet vrijwillig naar mijn wenschen schikt, zal ik je er toe dwingen. Ik ben 't hoofd van t gezin; ik heb te bepalen in welken gods dienst de kinderen worden opgevoed." Engelbert kon 't niet langer uithouden: „Vader", snikte hij, „ge hebt toch zelf ge wild dat ik katholiek zou worden, en Wil lem en Hendrik en mijn zusjes ook En nu zoudt ge verlangen, dat we ons Geloof afwerpen, gelijk een ouden, versleten jas Vader, neen, dat kan ik niet, dat mag ik nietl... Moeder, o moeder, zeg het toch aan vader hoezeer ik me al verheugde om mijn plechtige eerste Communie'"... Hij kon niet verder. Zijn stem stokte. Hij liep naar zijn moeder en verborg het hoofd in haar schoot: „Stil. mijn arme jon gen, wees maar stil!" troostte ze, terwijl ze hem liefkoozend over 't haar streek, „vader is vanavond te zeer opgewonden. De woor den van den hardvochtigen directeur, wien 't niets geeft of hij de familie van een zijner ondergeschikten in *t ongeluk stort, hebben hem zijn kalmte doen verliezen. Morgen zal hij wel anders over de zaak denken" „Neen, Sophie, als je dat denkt, dan hebt je 't mis. Mijn besluit staat vast", hernam Du- pont, maar slechts aarzelend; de smart van zijn jongen greep hem dieper aan dan hij voor zichzeif wilde bekennen. Hij had moeite zijn standpunt te handhaven. Toch ging hij voort: „Vanaf 1 Februari, dat wil zeggen, als wij inmiddels verhuisd zijn, be zoeken de jongens de protestantsche school. Daaraan hebt jullie zich eenvoudig aan te houden." Juffrouw Dupont richtte zich in haar volle lengte op en deed ook Engelbert opstaan, die vóór haar geknield lag. Alsom steun te zoeken, lei ze haar armen op zijn schouders en sprak dan met plechtigen ernst: „Daar aan zullen wij ons niet houden, Herman Dupont! Eer nog verlaat ik je met al mijn kinderen; liever wil ik als waschvrouw van huis tot huis gaan en met de kinderen droog brood eten, dan hun ziel prijs te geven!" „Moeder, neen, dat niet!" riep de knaap, die zijn liefde voor zijn vader voelde ont waken en medelijden met hem kreeg, nu hij op zijn gezicht las hoe ontzaglijk ook hij leed: „vader verlaten kunnen we niet. Laat ons dan maar liever zijn wil doen." Ontsteld trok de moeder haar armen te rug: „Engelbert, kind, val je zóó gemak kelijk af!" De jongen zag haar met zijn bestraalde oogen teeder aan: „Neen, moeder"fluis terde hij, „neen, ik val niet af. Laat komen wat wil: ik blijf katholiek, ook zoo ik naar die protestantsche schooi moet.... en met Paschen Zijn stem bleef steken in een zucht de arme jongen zag geen uitkomst in de vele tegenstrijdige gevoelens, welke zijn arm, klein hart bestormden. Dupont stond met zijn drie zonen Engel bert, Willem en Hendrik in den gang van t protestantsche schoolgebouw der Alexan- derstraat. Hij las de opschriften der ver schillende deuren en klopte aan bij: Klas I. Hoofd: de heer Scherer. Een reeds bejaarde heer, met witten baard en vriendelijk, in nemend gelaat deed hem open. U komt de kinderen aanmelden voor 't onderwijs hier op onze school, is 't niet? vroeg hij, Dupont de hand reikend. Ja, meneer. Hebben de jongens hun getuigschriften meegebracht uit de school, welke zij tot dusverre bezochten? Dan kan ik zien in welke klas ze thuishooren. Laat meneer uw schriften zien. De jongens namen hun schooltasch van den rug en reikten het hoofd de verlangde getuigschriften over. Deze wierp er een blik op en keek dan, vol verbazing, nu eens den vader dan de kinderen aan Er moet hier een vergissing plaats hebben gehad, zei hij na een oogenblik, „de kinderen zijn tot nu toe op de Sint Jozefs- school geweest; u weet wellicht niet dat de school hier protestansch is. Dupont had een oogenblik van verlegen heid maar hij herstelde zich spoedig „Neen, meneer", antwoordde hij, „er is hier geen vergissing in 't spel. Ik ben protestant en ik wensch dat mijn kinderen voortaan op gevoed warden in mijn godsdienst." „In dit geval kan ik uw kinderen niet zonder meer opnemen; u moet me eerst op schrift verklaren dat uw jongens u t de katholieke Kerk treden en naar de prote stantsche overgaan." „Zoo dit noodig is, zal ik u die ver klaring geven," hernam Dupontmaar slechts met moeite bracht hij die woorden uit. „Goed; kom dan even mee naar de spreekkamer, u zult er papier en inkt vinden." Hij ging hun voor en sloeg intusschen de kinderen aandachtig gade. Het viel hem op hoe onrustig ze eruit zagen. Vooral de oudste was heel bleek geworden. Er lag iets ais wanhoop in zijn overigens zoo hel dere blikken. Indien de vader het dood vonnis zijner kinderen ging onderteekenen, had 't wezen van den knaap niet bedrükfêf kunnen zijn. De twee jongsten schoven angstig tegen hun broeder aan, als zochten ze bij hem bescherming tegen een nakend onheil. De oude onderwijzer kreeg medelijden. Hij voelde dat er iets met die verandering van school niet in den haak was; dat den kinderen geweld werd aangedaan. Hij zag den vader een oogenblik onderzoekend aan en sprak dan; Voordat u de verklaring schrijft, zou ik u een vraag willen stellen, meneer Dupont: Heeft u den laatsten tijd moeilijkheden gehad met de onderwijzers van uw kinderen? „Neen". „Met de katholieke geestelijken soms?" „Ook niet. Maar ik beprijp niet best, meneer, waar u heenwil met die vragen." „Nu, wil 't me niet kwalijk nemen, doch voor mij is een verandering van geloof de gewichtigste vraag, die zich iD 't leven kan voordoen. Uw kinderen hebben, tot nu toe de katholieke school bezocht. Dat kan niet anders geschied zijn dan met uw medeweten en toestemming..." „Zeker, maar „Laat mij eens uitspreken, als ik u ver zoeken mag. Wanneer u thans de jongens opeens naar een school brengt van een heel andere richting, moet u daarvoor de gewichtigste redenen hebben." De woorden van 't hoofd en nog meer de kalme, overtuigde toon, waarop ze ge sproken waren, ergerden Dupont: Ik zei u immers reeds dat ik zelf protestant ben. Zeker, zei u dat. Maar uwe protes tantsche gezindheid, meneer Dupont, heeft u toch niet verhinderd, de kinderen een andere dan de protestantsche opvoeding te geven. Vanwaar dan die plotselinge ommekeer? Redenen van godsdienstigen aard kunnen hier moeilijk in 't spel zijndan had u reeds vroeger daarnaar gehandeld. U spreekt net of u katholiek was en niet protestant, trachtte Dupont zich te weren. Als u dat denkt, heeft u "t misik spreek eenvoudig ais mensch. Ernstige zaken moet men met den noodigen ernst behan delen, en een geloof mag niemand opge drongen worden. Zelf hang ik de evange lische leer met heel mijn hart aan; komt een volwassene tot ons uit innerlijken drang, dan begroet ik hem met vreugde. Doch wanneer kinderen, die wellicht reeds van kindsbeen af in een anderen godsdienst zijn opgevoed, gedwongen worden mijn geloof te omhelzen om redenen waarschijnlijk van louter stoffelijken aard, dan Dupont was hoogrood geworden: „Me neer, onderbrak hij 't hoofd, „naar 't mij schijnt, heeft u 't recht niet, zóó naar mijn beweegredenen te vorschen. Ik geef toe, dat ik wellicht mijn be voegdheid te buiten ben gegaan. Daarom wil ik u ook eerlijk zeggen wat mij ertoe bracht. Ik heb hier 't compositie-schrift van uw oudsten zoon. Engelbert heet hij, is 't niet. In alle vakken heeft hij hocge puntèn behaald. Hij schijnt dus een ijverige, oppassende jongen te zijn, die gemakkelijk en met lust studeert. Met zulke kinderen hebben alle onderwijzers gaarne te doen. Van den overgang naar een andere school geeft hij dus niets te vreezen. En toch staat hij daar als de wanhoop in eigen persoon. Toen ik zoo juist gewaagde van de af te leggen verklaring, scheen 't wel of ik u gevraagd had zijn doodvonnis te teekenen. Hieruit meen ik te mogen besluiten dat uw „Ja meneer, ik.... ikik wou graag katholiek blijven", stamelde Engelbert. Dan, met roerend vertrouwen opblikkend naar den ouden heer, die hem zoo vriendelijk in de vochtige oogen beschouwde, ging hij voort: „Maar gaarne wil ik ook bij u op school komen, wijl vader het verlangt." „Goed zoo, mijn jongen," antwoordde 't hoold met een aanmoedigenden glimlach „ik twijfel er niet aan of we zullen spoedig goede vrienden zijn. Je zult de lessen moeten volgen in alle vakken, ook die van 't gods dienstig onderricht. Versta me echter wel; innerlijk blijf je vrij. Ik zal je nooit tot iets verplichten wat tegen je geweten of je overtuiging ingaat." Herman Dupont beet zich van schaamte de lippen bijna stuk. Hij nam echter aan de tafel plaats en schreef met onrustige hand de gevraagde verklaring. Het was de eerste maal niet dat die vrouw de partij van den verongelijkten koos; ze was min of meer tevreden omdat hij haar zoo ge dwee het werk uit de handen nam. In een gesprek met een vriendin verhaalt ze het zelf Het is een lief en gedienstig kind het reinigt en poetst mijn schoenen, brengt mijne warme waterbuis aan mijn bed en doet al wat ik noodig oordeel. Marie Jeanne, riep de vriendin, ge zijt een onmensch met u zoo door dit arm schaapke te laten dienen. Marie Jeanne veranderde evenwel haar ge drag niet, zij was niet wreed maar walgelijk, zij wilde niet dat het kind werd geslagen, doch ze stond toe dat men het verdierlijkte. Laat maar, Simon, hij zal wel tot reden komen. Ja, hij zou tot rede komen, vreeselijk tot de rede der krankzinnigen, tengevolge van de bedreigingen, martelingen en eilaas ook van den brandewijn die Simon hem met geweld opdrong. Arm, arm kind! Vrouw Simon vond dat de lange lokken van den martelaar te vuil werden op zekeren dag nam zij de schaar en knipte ze af. Juist toen ze met dit werk gereed was, trad Meunier, commissaris van dienst, binnen met Vaudebourg, die het eten bracht. Meunier riep toen hij den kleine zag O, waarom hebt ge de lokken van den kleine afgesneden, ze stonden hem zoo goed? Weet ge dan niet, antwoordde de vrouw lachend, dat we den geplukten Koning spelen Allen lachten behalve Meunier het zachte lam boog het hoofd en twee groote tranen rolden langs zijn wangen. Den ganschen dag bleef het droef. Denzelfden avond gaf Simon hem brande wijn te drinken, een glas, twee glazen, drie; het kind raakte de zinnen kwijt en de roode Jacobijnenmuts versierde het hoofd van den achterkleinzoon van Lodewijk XIV. De eerste stap was gezet. De kleine viel in slaap. Bij zijn ontwaken bemerkte hij zijn kaal geschoren hoofd en de puisten en schrammen die er op gestampt en geslagen werden. Beschaamd greep hij naar het eenige hoofd deksel dat men hem toestond en dekte zich vrijwillig met de Jacobijnenmuts. Van al dit lijden bleef de moeder onkundig. De koningin liet niet na gevangenbewaarders en municipalen te ondervrager). Steeds luidde het antwoord dat zij zich niet behoefde te bekommeten om haar zoon. Dit antwoord was niet voldoende om haar zoo teeder moederhart gerust tè stellen. Zij moest haar kind zien. Zij vroeg het iedereen met hartverscheurende stem. Vruchteloos. Toen wendde zij zich tot Tison. Wat zou een moeder al niet doen om nieuws te heb ben van haar kind. In de familie Tison was een groote veran dering ontstaan. De vrouw had weenend ver giffenis gevraagd voor al het verdriet en het kwaad dat ze de koninklijke martelaars had veroorzaakt. De knagingen maakten haar zinneloos. Men sloot ze in het krankzinnigengesticht op en plaatste een vrouw bij haar om alles op te vangen wat ze in haar koorts over de konink lijke familie liet ontsnappen. Tison was zijn vrouw op den weg der ver- teedering gevolgd en trachtte het verleden uit te wisschen door een tegenovergesteld gedrag. Hij hield de koningin zoo goed mogelijk op de hoogte van al wat er omging, gaf haar da gelijks nieuws over haar zoon, doch wachtte zich wel van de afschuwelijke behandeling kenbarr te maken die hem ten deel viel. Tison bewerkte dat Maria Antoinette haar zoon te zien kreeg op het terras var, den To ren; het platte dak van den Toren was door een plankenbeschot verdeeld; een kant diende tot wandelplaats van den kleine, de andere was ter beschikking van de gevangene vrou wen. Tison zorgde dat bei ier wandeling op het zelfde uur gesteld werd.

DIGITALE PERIODIEKEN IN DE VOORMALIGE GEMEENTEN HELDEN, MEIJEL, KESSEL EN MAASBREE

Midden-Limburg | 1934 | | pagina 1