MARIA ANTOINETTE N®. 25 ZATERDAG 1 September 1954 ZEVENTIENDE JAARGANG mors 5 cent. VV Hj K H H fa HS Hf H| JÊ Hl 9 91 H H H HL H rt^Hrrm, schen den tekst 20 ets. Trouw van den Engel bewaarder. Advertentieprijsvaal-5 Dit blad verschijnt eiken HHP $ÊÈl ®BÉl iÊÊg regels f 0.50; eikeregel Zaterdag. Abonnements jEffr* SBB. "~BB H HB M meer 10 ets. Grootere prijs per jaar f2.-, franco EWK& MtÊËÈ - Pa «i. - 8® IlLtiflfe. ^a^sBh. rfpte>J»» letters en vignetten naar aaü huis bij vooruit- |«|1 HMf B 41 lr^& B B B^ plaatsruimte, betaling Losse nam- I WÊmM WÉ. BH Hf BS |p p8fl«iMlla Hl H 1111 Bk BH jOS Hg H Sfl Jhb k» WwJtèr Reclame-annonces tus- ingezonden en andere WS JÈÊÈL Ml ML JjlL HL JH» JHL JB» W*4Ê& dHb per regel. stukken worden inge- W ®KI^ «as^tBusro* wsa5sasH«H»w |gr -ma Van advertenties,weike wacht tot Donderdag- ftj J X* 1L.S J de uitgever, om redenen morgen 10 uur. j\| f A11DL/C™. A tl Uk fl VPff PflT 1 P tl 9 51 tfl te zijner beoordeeling, A rl v^rt.ent.ies worden in-i lïvll W w vO /TU w vl IvilUvMlUU .""'"""'"rTr" nietverlangtteplaatsen, gewacht tot uiterlijk Telefoon nr 8, Panningen. Postcheque <v giro 10/io. wordt de oiigineeleco- Vrijdagmorgen 10 uur. Adres voor Redactie en Administratie L. KASSTEEN, Helder-Panningen. pie niet teruggegeven. BLIJF BIJ MIJ, HEER! Als 's morgens, o mijn Jezus, In 't heilig Sacrament Gij geeft geheel U zeiven Gij heel de mijne bent. Gij doet, als waren slechts wij twee, Dan kent m'n ziel maar ééne bêe Blijf bij mij, Heer Ja in uw goedheid Jezus, Verblijft gij in mijn hart; Wij deelen saam m'n vreugde, Gij draagt er mee m n smart. En dikwijls zeg ik stil en zacht En ik voel U telkens door Uw kracht Blijf bij mij, Heer 1 Zoo maakt Gij van m'n leven Eén schoone lentedag. Met iedere nieuwe morgen Vol blijde Zonnelach 1 Ik bid, dat ik U volgen moog, In 't immer stijgen naar omhoog Blijf bij mij, Heerl Blijf bij mij, lieve Meester, Op weg naar 't Zonneland. Doorlaai mij met uw liefde, Uw liefdeszonnebrand Opdat ik eens uw aangezicht Moog zien in 't grondelooze Licht Blijf bij mij, Heer! EVANGELIE 15e Zondag na Pinksteren. Luc. 7:11 16. En daags daarna ging Hij naar eene stad met name Nairn, en met Hem gingen zijne leerlingen en een groote schare. Toen hij nu de stadspoort naderde, zie daar werd een overledene uitgedragen, eeneenige zoon zijner moeder, en deze was een weduwe en eene groote menigte uit de stad was bij haar. En toen de Heer haar zag, had Hij medelijden met haar en zeide tot haar Ween niet. En toegetreden raakte Hij de baar aan de dragers stonden intusschen stil en zeideJongeling, Ik zeg uSta op. En de doode ging overeind zitten en be gon te spreken, en Hij gaf hem aan zijne moeder. Vreeze nu beving allen, en ze loof den God en zeidenEen groot profeet is onder ons opgestaan en God heeft zijn volk bezocht. Een vroolijke drukte heerschte er in 't landelijke stadje. Nieuwsgierig blijven de-uit-de Vespers naar huis keerende kerkgangers staan, om misschien nog iets van de voorstelling te zien, die een troep koorddansers geven zul- FEUILLETON. Romantisch verhaal naar het FranBch. 170 Zij verwijderde zich doch keerde den vol genden dag terug en liet hem een tweeden brief overhandigen, die ditmaal aldus luide: „Burger MaratIk heb u gisteren geschre ven, hebt ge mijn briefje niet ontvangen? Ik kan niet begrijpen waarom ge mij gisteren niet hebt toegelaten. Ik hoop dat ge mij het verlangde onderhoud nu zult toestaan. Ik herhaal u dat ik uit Caen kom en u ge heimen kan onthullen, die voor de Republiek van 't hoogste gewicht zijn. Ik ben een der genen die men vervolgt, omdat zij de vrijheid diened. Ik ben ongelukkig is dat niet vol doende voor u, om mij uwe bescherming te verleenen Marat's ijdelheid was door die woorden ge streeld, bovendien had zijn huishoudster ge zegd dat het meisje, 't welk hem wilde spre ken zeer schoon was en een schoon meisje, aldus redeneerde hij, kan geen moordenares zijn. Zij sprak over de belangen der Republiek, len. Vooraan natuurlijk de kinderen. Het schetteren van een heesche trompet doet zich hooren, en de voorbereidselen van de „kunstenaars" beginnen. De schamele klee deren bewijzen, dat het arm, zéér arm volk is, dat daar optreedt en veeleer medelijden, dan kijklust is er op de gezichten der mees te toeschouwers te lezen. „Men moest zulk een bedrijf wettelijk verbieden, vindt U niet dokter?" zegt een dame tegen een naast haar staande heer. „Zeker Mevrouw,'- is zijn antwoord „ongehoord is het, hoe deze menschen el- ken dag hun eigen leven, en dat van de aan hun toevertrouwden, op 't spel zetten. Maar verbieden kun je zoo iets niet. En ze verdienen zoo in één uur dikwijls meer, als met een heele dag hard werken. Dit luie leven is te verlokkend." „Maar die arme kinderen van die men schen gaat de goedhartige dame verder; „ziet U toch eens dat lieve kind, dat daar juist den kogeldans uitvoertVroolijk ziet het kind er echter niet uit misschien heeft het reeds den ernst van het leven be grepen en zou het liever willen schreien, dan met een vroolijken lach te danken voor de applaudiseerende menigte." Deze dame had het goed geraden, zooals de nu aanbrekende pauze ons beter zal doen begrijpen. Elf jaar was ze oudze herinnerde zich nog goed de tijd, dat ze met haar ouders in een net huisje woonde, in een groot dorp. Toen verdiende haar vader, als schoen maker, het dagelijksch brood. Moederzorg- de voor het huishouden en verdiende ook nog iets met naaien. O, hoe vroolijk en blij was ze toen altijd Ook vader was toen zoo heel anders, als nu! Nooit had hij Jetje onvriendelijk toegesproken, of ze on der een regen van scheldwoorden geslagen zooals het nu dikwijls gebeurde, als er niet genoeg geld binnenkwam, en hij met oom verdrietig naar de wagen terugkeerde, die nu hunne woning uitmaakte. Och ja! Haar oom die noemde moeder dikwijls: „Vaders boozen geest!" en door zijn komst was ook waarlijk al die ellende begonnen. Veel jaren had hy niets van zich laten hooren. Op ze ker dag stond hij voor hen en noemde zich tertsen, „directeur van het theater*'. Minachtend vroeg hij, of zijn broer dan zijn le/en lang in dat nest bleef zitten, waar nooit iemand kwam. Dan is 't toch beter, als vrij „kunstenaar", de wereld door te reizen en het geld op te rapen, dat men in dit beroep zóó maar op de straat vindt. Zoo probeerde hij dag in dag uit, op zijn broer in te werkenbij nam hem mee naar de herberg; en pronkte daar openlijk, met de schitterende toekomstdroomen van de heele familie. De schoenmaker zat nu slechts met tegenzin op z'n werkbank, en ging steeds meer op in de plannen van zijn broer. De moeder bad en smeekte, maar tevergeefs. Op zekeren dag werden huis en tuin ver kocht, en het kunstenaarsleven begon in een ellendigen woonwagen, met twee afge richte honden, en haar oom ging mee. Als we eerst maar eens een beetje kapitaal hebben en meer van de kunst verstaan, dan beginnen we alles in 't groot, en regent het geld zoo. maar binnen; troostte oom, zijn broer, als deze naar de vervulling van zijn schitterende beloften vroeg. Maar tot heden was men er nog niets van gewaar geworden, en de nood was integendeel dik wijls zóó groot, dat de moeder niet een sneedje brood voor Jetje, en haar zevenjarig zusje Anny had, en een beetje melk voor het tweejarig Fritsje. De beide „kunstenaars" verdronken hun misschien wilde zij hem geheime vijanden doen kennen. Hij is juist in 't bad. De huishoudster wil zich reeds verwijderen om Charlotte weder af te wijzen, maar hij roept haar toe, haar binnen te laten. Door zijn uitspattingen en zijn losbandig leven was Marat's bloed vergiftigd en zijn lichaam door eere afschuwelijke ziekte aan getast. Hij onderging een kuur, waarbij hij veel vuldig moest baden. Een plank lag over de badkuip, zoodat hij zittend, lezen en schrijven kon. Op die plank stond een inktpot, pennen en papier lage» er naast. Charlotte treedt binnen en zegt dat zij uit het in opstand zijnde departementen Calva dos komt. Hij beschouwt haar schoon gelaat, de wel lust doet zijn oogen flikkeren en alle argwaan is geweken. Zij noemt hem de namen van de Girondijnen, die te Caen een opstand trachten te bewerken, en terwijl hij haastig die namen opschrijft, zoekt haar oog de plek waar zij hem met haar mes doodelijk kon treffen. Het schrijven valt hem zwaar, maar wat hij schrijft is een doodvonnis en daarvoor getroost hij zich gaarne die kleine moeite. karig daggeld in de herberg, zonder aan de hongerige familie te denken. Verhief vrouw L. haar stem tegen deze handelwijze, dan waren verwoede uitbarstingen het gevolg. Zóó gaf ze eindelijk den strijd op, en liet de dingen haar gewonen loop. Vroeger had ze nog troost gezocht in 't gebed; had ze Jetje's handjes gevouwen en met haar den Vader in den hemel om hulp gesmeekt. Maar ook daarin was ze nalatig geworden. En als haar man, op aandringen van zijn broer zijn belofte brak, om Jetje nooit meer te laten optreden, dan had de ongelukkige moeder al haar vertrouwen verloren. Wat baatte al haar smeeken, ais het niets vermocht, haar kind voor dit ge hate beroep te bewaren? Daarvoor juist had ze zoo dikwijls en innig God in den hemel gesmeekt! Kortzichtig menschenkind 1 Hoe weinig ken je nog van Gods wonderwegen! Slechts één vrome gewoonte bleef vrouw L. getrouw Als haar kind mee moest voor een voorstel ling. vergat zij nooit haar een kruisje op het onschuldige voorhoofd te geven en haar te zeggen: „Beveel je aan je Engelbewaar der aan, mijn Jetje, naar ziel en lichaam!" En Jetje, een vroom kind, volgde steeds dien goeden raad op, en bad ook gedurende de gevaarlijke oefeningen dikwijls het gebedje: „Engel Gods, die mijn bewaarder zijt". En tot nu toe had de heilige Engel nog steeds zijn beschermende hand over haar uitgestrekt. Nu gaan we even met onze gedachte te rug naar het kleine stadje. De voorstelling zal zoo dadelijk met een schitterend nummer gesloten wordenStaande op de schouders van haar Vader, zal het tengere Jetje over het touw gedragen worden. Rustig lachend staat ze reeds boven, en de koorddanser gaat met vasten tred voorwaarts. Alle toeschou wers zijn in spanning het is doodstil in de omtrek. Daar een kreet! een doffe slag 1 de nan is naar beneden gestort! Roerloos ligt hij daar, en op hem het kind. Onmiddellijk treed dokter naderbij. „Neemt het meisje maar mee, het is slechts bewusteloos, en heeft geen enkel letsel bekomen," beveelt hij na kort onder zoek. Ondertusschen zijn pastoor en burgemees ter ter piaatse gekomen. „Er is niets meer aan te doen. De man was op slag dood, hij heeft z'n hals gebro ken," zegt de dokter hun. Roerloos, echter niet schreiend, staat vrouw L. naast het lijk. Een medelijdende vrouw probeert haar te troosten en lief koost Jetje, die al weer bijgekomen is. De arme koorddanser rustte in 't graf, en zijn broer was met de wagen alléén verder getrokken. Voor een kleine som gelds had hij die van vrouw L. gekocht, die hardnek kig weigerde, nog verder mee te gaan. Ze scheen haar vroegere wilskracht weer terug gevonden te hebben, nu ze voor zich en haar kinderen te zorgen had. Ze huurde twee kleine kamertjes en probeerde verstel werk te krijgen. Een groot aantal menschen waren getuige geweest van het ongeluk, en namen harte lijk deel in den toestand. Welgezeten men schen hielpen haar over de grootste moei lijkheden heen, ook de pastoor deed wat hij kon, en zóó scheen haar 't leven weer wat vroolijker toe. Hare beide meisjes waren heel gelukkig. Ze konden nu geregeld de school bezoeken, terwijl ze anders dan hier, dan daar en maar voor korten tijd onderwijs genoten. Beide waren zéér vlijtig en hadden een hel der verstand. Jetje vooral was erg vlug voor Wat zal het lot van die personen zijn vraagt hij terwijl hij schrijft. Hij ziet haar aan, hij meent een goede pa- triote voor zich te hebben, want zij heeft hem verscheidene namen van vijanden der Repu bliek op gegeven. Zij zijn verraders, geeft hij tenantwoord, zij zullen allen bun straf op het schavot onder gaan. Daar hebt ge de uwe! roept zij, trekt het mes dat zij in haar boezem heeft verbor gen en stook het hem in de linkerborst. Een akelige kreet, een gorgelend geluid werden gehoord en de ellendeling was dood. Charlotte Corday had haar reine hand door een moord bezoedeld. Marat's huishoudster en een journalist, die hem juist kwam bezoeken, vallen op het meisje aan, dat te fier is om een poging tot ontvluchten te beproeven. Zij wordt mishandeld en met scheldwoorden en verwenschingen overladen, doch verdraagt dit alles met kalmte en waardigheid en laat zich door de groepen soldaten geduldig ge vangen nemen. Door een bijzonder toeval was de postmees ter Drouet, lid der Konventie, de persoon die haar den volgenden dag, nadat zij het eerste verhoor had ondergaan, naar de gevangenis bracht. Toen hij de toegestroomde volksmenigte, die haar leeftijd. En wat was ze biij, toen de pastoor haar mededeelde, dat ze bij de Eerste Communiekantjes was opgenomen, en met Palm,- Zondag den lieven Jezus in haar hartje mocht outvangen l Met haar verheugde zich ook de moeder, die zich nu ook weer met God verzoend had, en zooals vroeger ook nu weer haar troost in 't gebed zocht. O, wat bereidde Jetje zich fijn voor. Wat was ze lief thuis en op school! Ze wilde daardoor het groote geluk waardiger wor den, dat ze zoo van nabij zag, en dat in werkelijkheid toch nog ver was. In Juni was de vader verongelukt; nu was het Februari en in April zou het Jetje's mooiste dag van haar leven zijn. 't was een strenge winter geweest, en vrouw L. had dikwijls tot laat in de nacht voor haar naaimachine gezeten, om in hun onderhoud te voorzien. Een droge hoest, waar ze n 't begin geen acht op geslagen had, veroorzaakte haar nu dikwijls hevige pijnen. Hare krach ten namen langzamerhand af, en op zekeren dag sloot ze, tengevolge van een hevige bloedspuwing, de trouwe moederoogen. Nu stonden de drie kinderen alléén op de we reld, als weesjes. Hun oom verklaarde zich bereid, om Jetje bij zich te nemende beide anderen moesten naar een weeshuis. Wat verschrok Jetje daarvan! Weg van haar broertje en zusje? en met haar oom mee, om weer dat zwer versleven te beginnen? Met hem, die ze om zijn ruwheid steeds verafschuwd had Ze weende bitter, maar daar bleef het bij. Jetje's onderwijzeres bad en smeekte, het kind toch te mogen behouden tot na Paltr,- Zondag, opdat ze toch nog het groote ge luk van haar eerste H. Communie mocht beleven. Ook de pastoor was daar voor, maar haar oom bleef doof voor alle smee ken. Op een guren Meimorgen gingen ze weg en voor Jetje begon nu een zware, moeilijke tijd. Haar oom had zich bij een groote troep van de minste soort aangesloten. Jetje werd daar als vierde kind bij opgenomen. De drie anderen waren afgericht, om door zak kenrollen de inkomsten van de. voorstelling te verhoogen. Toen Jetje zag, welk „werk" men haar wilde opleggen, weigerde ze hard nekkig, om ook maar de geringste zonde tegen het zevende gebod te begaan. Door onmenschelijke mishandelingen en gruwelijke hongerkuren wilde haar oom haar die „onzinnigheden", zooals hij 't noemde afleeren. 't Viel Jetje soms erg zwaar om standvastig te blijven, maar ze hield vol als een kleine martelares. Steeds opnieuw smeekte ze haar Engelbewaarder vurig, om haar te helpen, den goddelijken Zaligmaker toch door geen zonde te bedroeven, maar sterk te mogen blijven. Toen de vurig verlangde Palm-Zondag kwam, was Jetje ver weg van het stadje. Ze zwierf op den grooten oceaan, want de troep vond het raadzaam zich voor de politie in veiligheid te brengen en in Ame rika haar geluk te gaan zoeken. Op het overvolle tusschendek van het schip bad het kind dikwijls en dringend om hemelsche bijstand, want daar hoorde en zag ze dingen, die een teedere ziel met hui ver vervulden. Maar ook hier was haar Engelbewaarder aan hare zijde, en hielp haar, om oogen en ooren gesloten te hou den voor het gevaar. In het nieuwe werelddeel begon hetzelfde wilde bedrijf. Toen echter na eenige weken L. bij een gevecht gedood werd, wezen de anderen Jetje de deur. Arm en hulpeloos de moordenares van haar afgod wilde ver scheuren, door de herinnering aan de wet tot gehoorzaamheid vermaande, viel zij in on macht. Weder tot bewustzijn gekomen, verwonderde zij zich dat zij nog leefde en het volk, 'twelk men haar steeds als een bende kannibalen had afgeschilderd, aan de overheid had gehoor zaamd. Weldra had zij weder de kalmte herkregen waarmede zij tot nu in al haar handelingen was te werk gegaan. De hoofden der Bergpartii, die zoo vaak tot sluipmoord hadden aangezet, sidderden omdat zij vreesden dat een menigte vrijheidshelden en heldinnen tegen hen waren afgezonden, om ook hen te treffen, doch waren overigens blijde, van Marat ontslagen te zijn. Velen haatten en verafschuwden hem Ro bespierre benijdde hem; vele andere schaam den zich voor het waanzinnig monster. De meesten hadden hem gedurende zijn ziekte reeds vergeten. Allen verborgen echter hun onverschilligheid of hun vreugde onder een voorkomen van diepe droefheid, want de vermoorde was de afgod van 't volk geweest, dat thans in de sectiën van 't volk kwamen in de Vergadering haar buitensporige droefheid betuigen. De spreker van een der deputatien eischte dat de misdaad door een vreeselijke doodstraf

DIGITALE PERIODIEKEN IN DE VOORMALIGE GEMEENTEN HELDEN, MEIJEL, KESSEL EN MAASBREE

Midden-Limburg | 1934 | | pagina 1