MARIA ANTOINETTE No. 25 ZATERDAG 18 Augustus 1954ZEVENTIENDE JAARGANG Advertentieprijs van 1-5 Uitblad verschijntelken flB JHB g^| ritëi lÊÊf 9 4f| regels f 0.50; elke regel Zaterdag. Abonnements gran ggt9 jH ÜS HJsS H| meer 10 ets. Grootere prijs per jaar f2.-, franco IH§Ë£ M8M M ^^§g§ lil ^Hl> ÉTUli letters en vignetten naar aan huis bij vooruit- gÊF*9 JmWk 4ËMÊk SM WT^m 9b lÊ lS^ ÉllS plaatsruimte, betaling Losse num- 1 WÊJSÊ WM H R 1 1 §8$BaafiR ES S ailiillll %Jp lleelame-annonc,., ms- rnjsrs 5 cent. I ff' fcf IÉ &S £g a II JB 1|| K li ii H II jj§ J1!!!L schen den tekst 20 ets. Ingezonden en mbre i W Jk k JgL JïïL W*mF ^9^^ JBm W*mÊk Per regeL stukken worden inge- W «H» UH il'illIHNR jg Van advertenties,welke wacht tot Donderdag- wt T a j j A. 1=. H Ji ^ÉSMBPP de uitgever, om redenen morgen 10 uur. F\11 £kl11ï7C_ AM A ff VPT! PU 11P OIH O te zijner beoordeeling, /i Tfort enting worden in- 1 llvU WO vil AU V VI l^IIHvWIMU rrrT nietverlanqgtteplaatsen gewacht tot uiterlijk Teletoon nr 8, Panningen. Postcheque giro l«,nb. wordt de 01igineeleco- Vrijdagmorgen 10 uur. Adres voor Redactie en Administratie L. KASSTEEN, Heider-Panningen. pie niet teruggegeven. KINDEREN. Ja, de groote Vriend der kindren Heeft terecht het woord gesproken: „Laat de kleinen tot Mij komen." Want die bloempjes pas ontloken In de wildernis der aard, Zijn de gunst des Hemels waard. Reine kelkjes zonder smetten. Reine hartjes zonder wonde, Kleine hoofdjes zonder boosheid, Groote zieltjes zonder zonde, Lelietjes in de woestijn Schooner kan op aard niets zijn. Aan het kwaad, verslaafde wereld, Spaar, ach spaar die lieve kleinen! Lok niet met begeerlijkheid 't Argloos hart dier engelreinen! Spaar den hemel dat verdriet En bedroef Gods Englen niet! Ouders, o verzorgt uw kinderen En beschut ze als teêre plantjes! O! bewaakt hun hartje en zieltje En hun oogjes en hun handjes, Dat gij 't nimmer u berouwt! God heeft ze u slechts toevertrouwd. EVANGELIE 14e Zondag na Pinksteren. Matth. 624 33. Niemand kan twee heeren dienen want hij zal öf den eersten haten en den tweeden beminnen öf den eersten aanhangen en den tweeden verachten. Gij kunt God niet dienen en den mamon. Daarom zeg Ik u: Weest niet bezorgd voor uw leven, want gij zult eten, noch voor uw lichaam, waarmede gij u kleeden zult. Is het leven niet meer dan het voedsel en het lichaam niet meer dan de kleeding? Ziet de vogelen des hemels; zij zaaien noch maaien en verzamelen niet in schuren, en uw hemelsche Vader voedt ze. Zij gij niet veel meer dan zij? En wie uwer kan door zijn zorgen een el aan zijn levensweg toevoegen? En wat zijt gij be kommerd over kleeding? Beschouwt de leliën des velds, hoe zij groeien zij arbei den en spinnen niet. En toch zeg Ik u, dat zelfs Salomon in al zijn heerlijkheid niet gekleed was als een van deze. Als God nu het kruid des velds, dat heden is en morgen in den oven wordt geworpen, zóó gekleedt, hoeveel te meer dan u, kleingeloovigen Weest dus niet bezorgd, zeggendWat zullen wij eten of wat zullen wij drinken, of waarmede zullen wij ons kleeden? Naar dat alles vragen de heidenen. Uw Vader immers weet, dat gij dat alles noodig hebt. Zoekt dan eerst het rijk Gods en zijn ge rechtigheid en dat alles zal u toegegeven worden. Boetvaardigheid. Zondag werd ik even diep getroffen door de eenvoudige vraag, gesteld vanaf den preekstoel, 't klonk zoo naïef: „Doet u aan boetvaardigheid?" En ligt er geen wereld van gedachten in? Je kunt er over mijme ren, ellenlange redeneeringen opzetten toch zal ik niet de eenige zijn, die schuldbewust een blik sla in het binnenkamertje der ziel, deemoedig uitroepende „meca culpa." Boetvaardigheid, 't klinkt wat unheimisch, zoo loodzwaar, zoo niets van onzen luch- tigen, oppervlakkigen tijdgeest en toch slaat het in, omdat men voelt en ziet, dat er niet zoo wonderveel aan boete en versterving geofferd wordt. De moderne mensch is een tikje aangetast door de algemeen geldende opvattingen, die lijnrecht staan tegenover alles wat remt en eenigszins zweemt naar gebondenheid, liever fladderig vlinderen over het zware, het minder gewenschte. Onze Moeder de H. Kerk, haar kinderen door en door kennende, rekening houdende met de veranderde tijdsomstandigheden, heeft zich gewillig aangepast aan de nooden en eischen onzer meer nuchtere levensbeschou wing; de oude Vasten met haar vroeger zware verplichtingen omgezet in een gemak kelijker boetedoening, die allen kunnen na leven. Maar doet ieder het naar vermogen Met een hartgrondig ja is die vraag niet direct te beantwoorden. De kerken zitten 's morgens niet stampvol en is de opkomst bevredigend, wordt de kerk wel eens beschouwd als een plaats, waar natuurlijk gebeden maar ook waar men ziet en gezien wordt, waar gerust en somwijlen gedut wordt. Zonder eenige bijbedoeling moesten de dames in de vasten zooveel mogelijk kerken, 't Zijn niet mijn woorden, doch die van onzen pastoor. We weten allen, dat de oorlog veel slechts op haar geweten heeft, de maatschappij is ontredderd: geestelijk en moreel zijn velen ten onder gegaan, een onverschillige geest heeft de plaats ingenomen der vroeger zoo geroemde Hollandsche degelijkheid en soli diteit. De vrouwen denken niet meer als hun grootmoeders, 't is de ballast die de oorlog na zich sleept, doch alles op rekening er van schrijven mag niet. De simpele vraag: „Doet ge nog aan boetvaardigheid?" klinkt in dit verband echt van onzen tijd. 't Was niet gericht tot de slechtsten onder de kudde; de beteren onder de schare konden de hand in eigen boezem steken, vast een plekje vindend, waar het wortel schiet. 't Is waarachtig geen eisch in een kemel haren boetekleed met een gezicht als een uitgeperste citroen rond te loopen, alhoewel het aanbeveling verdient zich in dezen tijd extra behoorlijk te kleeden, niet alleen in de kerk maar meer speciaal er buiten. Ver der een prachtgelegenheid bijzonder om te kijken naar de minder bedeelden in aardsche goederen en geneugten, in het geven veel liefde leggen, van den anderen kant welda den weten te ontvangen met warmte» Ik meen het al eerder gezegd te hebben, ontvangen is dikwijls moeielijker dan geven. Voor hen, die schenken, hetzij het harte- gaven of innig meeleven in benarde om standigheden is; die geven van hun zon nigheid, hun nooit falende liefde, is het een onprettige gewaarwording de hartelijk ge meende gaven te zien wegwerpen of met koude onverschilligheid in ontvangst te nemen. Boetvaardigheid bestaat niet de veertig dagen lang met een gezicht als een donder wolk te doorworstelen, integendeel! Met vriendelijke vroolijkheid de noodige bevelen geven, met lieven tact de huisgenoo'en doen voelen, dat vasten en onthouden niet is: derven van het verboden voedsel, doch een krachtig voorbeeld geven in bijzondere plichtsbetrachting, het nalaten van het weel derige dus overtrollige, hetgeen best gemist kan worden. Is het nu werkelijk zoo'n offer zes weken te leven buiten concerten, co medies en andereopenbare vermakelijkheden? En toch bezondigen zich er vele Katholieken aan, ergeren niet alleen hun geloofsgenooten, maar de goeddenkende anderen ook. Is nu in den geest der Kerk de Vasten doorleefd, dan mag met volle recht Paschen, 't feest der Verrijzenis, heelen, het inwen dige vieren der wedergeboorte. De loute ring aan den lijve hoeven we niet te voelen, niemand vergt het, doch wel degelijk van binnenuit. Wordt boetvaardigheid met ernst in de kleine levensdingen beoefend, toonen we de bedoeling te begrijpen, die God ge legd heeft in het nakomen der verplichting en in den opgelegden boetetijd. Zooals de blije Lente telkenjare zich tooit met een nieuw, verrukkelijk kleed, zoo ook de mensch gezuiverd, door een bad van boete en zelf verzaking. De beteekenis der verschillende vruchten. In de eerste plaats zijn druiven te noemen, vooral de blauwe: zij zijn niet alleen voed zaam maar zuiveren ook het bloed. Dan de perziken, in geneeskracht gelijk aan de drui ven, maar ze moeten niet overrijp zijndeze gebruike men des ochtends vroeg op de nuchtere maag. Een Sinaasappel, dagelijks na het middag maal is een voortreffelijk middel tegen slechte spijsvertering en geneest bij voortgezet ge bruik een eventueel zieke maag volkomen, wordt beweerd. De appel is niet alleen voedzamer dan de aardappel, maar hij bevat ook zachte en aangename zuren, die op het geheele lichaam weldadig werken. Iemand die ge regeld appels gebruikt, zal zelden aan moeie- lijke spijsvertering of keelziekte lijden. Vooral bevorderend is het voor de gezondheid een appel te eten, vóór men 's avonds gaat slapen. De appel bezit ook tonissche (ver sterkende) hoedanigheden en bevat meer phosphor dan een andere plant. Daarom is hij voor personen, die in steeds prikkelenden toestand verkeeren en niet in staat zijn tot lichamelijke krachtinspanning een zeer ge schikt en gewenscht voedsel. De appel voedt de hersenen, wekt de werkzaamheid van de lever op, en voedt en verfrischt zoowel geest als lichaam. Met uitzondering van aardbeien ia hua tijd, kunnen wij eer alle vruchten te ramen ontberen dan den appel alleen. En de aardbei is maar een tijdelijke vrucht, terwijl de appel, als hij op behoorlijke wijze wordt bewaard, het geheele jaar duurt en ons verkwikt door zijn eigenaardige opwek kende sappen. De plaats, die de appel in neemt, kan door geen andere vruchten wor den aangevuld. Gekookte appelen zijn voor jonge kinderen uitstekend. Pompoenen (Ka- lebes) helpt ook bij koorts- en nierziekten. De kracht van de citroen is bekend. Bij den arbeid in den zomer, als de dorst ons kwelt, is dit sop, met water vermengd, zeer aan te bevelen, daar het niet alleen den dorst stilt, doch ook geen schadelijke ge volgen doet ontstaan. Citroen in een kop sterke koffie doet de hoofdpijn bedaren. En moeders weten heel goed, hoe gunstig de vruchtsappen, met water vermengd, bij kinderen werken. Braambessensap met sui ker stilt den hoest, maar ook marmelade van boschbessen, met suiker en heet water gekookt, goed geroerd en's avonds voor het naar bed gaan gebruikt, werkt uitstekend. Zoo zien wij dat vruchten een groote rol in het leven van den mensch kunnen 3pelen. Flink en raak. Aan een open tafel in een der hotels van Frankrijk zaten verscheidene gasten aan. Onder hen bevond zich een Parijzenaar. De kelner diende een pastei op. „Kelner", riep de Parijzenaar met een goed hoorbare stem, „zit er varkensvleesch in die pastei?" „Jawel, Mijnheer, varkensvleesch en kalfs- vleesch." „Zoo! breng mij dan in plaats daarvan schaapscotelet. Ik ben een Israëliet en mijn godsdienst verbiedt mij varkens vleesch te eten." Geheel de zaal had in eerbiedige stilte dit gesprek aangehoord. Niemand voelde ook maar de minste neiging in zich opkomen om te lachen; integendeel, iedereen respecteerde de handelwijze van den Parijzenaar. Als de tafel ten einde liep, stor.d de Parijzenaar op, nam het woord en sprak met kracht en klem de omzittende gasten aldus toe „Mijne hee ren, wat ik daareven zei was maar bij wijze van scherts. Ik ben geen jood, maar prakti- seerend katholiek. U respecteerdet de ver langens van een gewetensvollen Israëliet. Geeft mij echter toe, dat, als het een Vrijdag ware geweest en ik ia plaats van vleesch visch had gevraagd, menigeen onder u zou hebben gelachen, mijn vraag voor belache lijk zou hebben uitgemaakt en den draak zou hebben gestoken met de wetten van de Kerk. Aan een open tafel mag men wel jood wezen, maar men mag geen katholiek zijn. Men respecteert alle godsdiensten, be halve den ware!" Flink gezegd. Dat is nog eens uitkomen voor zijn geloof. Doch daarbij, wat waren zijn woorden volle waarheid. Het is altijd de Katholieke Kerk, die het moet ontgelden. Troosten we ons met het woord van Chris tus: „In de wereld zult gij verdrukking heb ben, doch hebt moed, ik heb de wereld over wonnen." Voor driftkoppen. De hertog van Bourgogne, kleinzoon van Lodewijk XVI, gedroeg zich in zijne jeug dige jaren zoo ondeugend, dat hij geenszins verdiende door zijn ouders met; engeltje of mijn lieveling te worden toegesproken. B(j iedere terechtwijzing werd hij toornig en hij stoof op, als iemand hem tegensprak. Gelukkig wees men den knaap op zijn leelijk gebrek en nog gelukkiger, de knaap erkende zijn onhebbelijk karakter en legde zich edelmoedig op zelf-verbetering toe. Hoe meer de dag zijner eerste H. Communie naderde, hoe meer hij ook zijn best deed zijn driftigheid te betoomen. Weldra was hij een toonbeeld van zachtzinnigheid ge worden. De kamerdienaar van den jongen hertog sliep in de nabijheid zijns meesters. Op ze keren nacht bemerkte hij, dat de knaap niet sliep, en vroeg, beducht voor een ongesteld heid, naar de oorzaak daarvan. „Och," ant woordde de knaap, „ik zal den slaap niet FEUILLETON. Romantisch verhaal naar het Fransch. 169 Marat trad met groot zelfvertrouwen op en klaagde de Girondijnen aan. Hij werd vrijge sproken. Omkranst met bloemen bracht het volk hem naar de Konventie terug. Den 2 Juni kreeg de partij der Girondijnen de volledige nederlaag en werden 22 harer leiders gevangen genomende Jacobijnen be- heerschten nu alles, Robespierre en Marat voer den het hooge woord en sleurden er met dui zenden naar het schavot. Doch het einde van den laatste was geko men; alvorens we verhalen hoe en onder welke omstandigheden hij vermoord werd, willen we den man nader voorstellen. Jean Paul Marat, geboren in 1744 te Beau- dry, had de geneeskunde bestudeerd en tevens eenige kennis van natuur- en scheikunde ver kregen hij was geneesheer der stalbedienden van den gvraf van Artois. Wild van aard, naijverig op de edellieden om hun voorrechten en eerzuchtig, omhelsde hij vurig de omwentelingspartij en werd re dacteur van het blad 'Lami du peuple, waarin hij den koning, de koningin, den maire van Parijs, den commandant der nationale garden, de legerhoofden, de Nationale Vergadering, kortom, al de machten en overheden aanviel en belasterde. Zijn gedurige ophitsingen tot plundering, opstand en moord openden ten laatste de oogen der Nationale Vergadering. Maar ofschoon meermalen aangeklaagd en in staat van beschuldiging gesteld, wist hij aan alle vervolgingen te ontkomen, nu eens door de vlucht, dan weer door zijn onbeschaamd en vermetel optreden. Enkele staaltjes hebben we daarvan medegedeeld, o.a. hoe hij, voorde revolutionaire rechtbank gedaagd, daar ver scheen in 't gevolg van een bende ruwe en onbeschaamde mannen uit het volk, dat hem vergoodde, zoodat men niets tegen hem durfde ondernemen. Hij was zeker een der hevigste en onverschrokkendste schrijvers en redenaars van zijn tijd en een woest, dolzinnig man die niets eerbiedigde. Marat was klein van gestalte, breedgeschou derd, maar mager; een dame vond tusschen zijn gelaat en den kop van een engelschen dog een treffende gelijkenis. Zijn zwarte oogen schenen vonken te schieten. Hij voer hevig uit tegen de academieën,die zijn beginselen niet wilden huldigen, en was verbitterd als alle genieën, die meenen mis kend te worden. Zijn levensonderhoud en liefdesavonturen zocht hij bij de dames van Versailles, bij wie hij zijn uitvinding om de schoonheid te be houden, te gelde maakte. Hij had altijd schul den en was een persoon, die in gewone tijden in 't hospitaal of in 't tuchthuis zijn leven zou hebben beëndigd. De omwenteling maakte hem echter eens klaps tot een groot man, toen de heerschappij van 't volk begon. Hij stichtte ontzaglijk veel kwaad en werd door Robespierre en Danton als een ketting hond gebruikt, dien zij loslieten als zij schrik en ontzetting wilden verspreiden. Charlotte Corday meende dat de dood van Marat Frankrijk van de heerschappij der Ja cobijnen zou verlossen. Alsof een man een tiran kan zijn zonder het letsel, dat hij ver tegenwoordigd, zonder de partij die hem steunt, zonder de slaafschheid van hen die zich laten verdrukken. Alsof Marat iets anders ware geweest dan de uitvoerder van den wil eener woeste, ruwe volksmassa, wier bloeddorst gelescht moest worden Alsof hij gevaarlijk had kunnen zijn, als hij niet uitgesproken en gedaan had wat honderd duizenden wilden Charlotte Carday was de dochter van een verarmd normandisch edelman, Francois Cor day genaamd, die met de joBgste zuster van den dichter Come was gehuwd en, behalve Charlotte, nog twee dochters en twee zoons had. Den 26 Juli 1868 geboren, werd zij in een klooster opgevoed, waarvan de vrijzinnige abeis de leerlingen zelfs het lezen van schrij vers als Rousseau, Raynal en andere voor standers van de vrijheid van geweten veroor loofde. Haar vader was een vurig koningsgezinde en trotsch op zijn adeldom. Zij deelde geenszins die gevoelens en blaakte van liefde voor het vaderland. Hoewel hij verscheidene nieuwe instellingen goedkeurde, geraakte hij dikwijls met Char lotte in een van zijn kant tamelijk hevig ge- voerden woordentwist, daar zij de Republiek vurig was toegedaan en beweerde dat in elk geval Lodewijk XVI niet de kracht had en de bekwaamheid bezat, om aan het hoofd eener monarchale regeering te staan. Het gevolg hiervan was, dat Charlotte het vaderlijk slot verliet en bij een tante, die in de stad Caen woonde, haar intrek nam. „Ik verdien de harde woorden niet, die mijn vader mij vaak heeft toegevoegd, schreef zij aan een vriendin. Dat ik de meeningen en gevoelens mijner vrienden en bloedverwanten niet deel, is geens zins uit zucht tot tegenspraak.

DIGITALE PERIODIEKEN IN DE VOORMALIGE GEMEENTEN HELDEN, MEIJEL, KESSEL EN MAASBREE

Midden-Limburg | 1934 | | pagina 1