ses* -g H w<g ËH-BIEË BFB-EEI\Mfff fff fSkCl 1 fffVl hlll^flT7 s-irlvllUUvll 1 Jt 1 B I IJ lil ML MARIA ANTOINETTE Ne. 23 ZATERDAG 18 Augustus 1S54 ZEVENTIENDE JAARGANG stukken worden inge- lw Cflfe P^wHf «Hk 4p»i*«f^ Per ref wacht tot Donderdag- mTo Q advertenties,welke Advertintiesw orden in- NlCUWS" dl AÜ VCf teiltiebla(l nËBEBÏBHÏ H^L^nTX Teletoon nr 8' Pannin2en' Postcheque giro 15718. wordtde^rigTne^le^o- Vrtjdagmorgen 10 uur. Adres voor Redactie en Administratie L. KASSTEEN, Helder-Panningen. - pie niet terUggegeven. Blijf bij ons, Heer Hoe dikwijls zucht het harte: Ach, de avond daalt reeds neêr De nacht zal weldra zinken, Geen sterre wil er blinken, Blijf Gij bij ons, o Heer! Zoo hebben de Emmaus-gangers Het ons geleerd, o God! Als ons ontvliedt de blijheid, Dan geeft ons uur nabijheid Het hoogste zielsgenot. Wat is de troost van menschen, 't Geluk der wereld dan Gij geeft op onze bede De ware vreugd, den vrede, Dien de aard niet geven kan. Blijf Gij bij ons, o Heere! Het leven is zoo kort. Laat üw licht nederdalen En onzen weg bestralen, Als 't avond om ons wordt! EVANGELIE 13e Zondag na Pinksteren. Luc. 17: 11-19. En op zijne reis naar Jerusalem trok Hij langs de grens tusschen Samaria en Galilea. En toen Hij in zeker dorp kwam, traden Hem .tien melaatsche mannen te gemoet, die op een afstand bleven staan. En zij verhieven hunne stem en zeidenJesus, leeraar, erbarm U onzer. En hen ziende zeide Hij hun: Gaat heen, vertoont u aan de priesters. En onderweg werden ze rein. Maar één hunner keerde, zoodra hij zich genezen zag, terug, terwijl hij met luider stem God verheerlijkte. En hij viel op zijn aangezicht voor zijne voeten neder, en dankte Hem. En deze was een Samaritaan. Maar Jesus antwoordde en zeide: Zijn niet alle tien gereinigd? Doch waar zijn de negen? Vindt men er geene die teruggekeerd zijn om Gode eer te geven, dan alleen dezen vreemdeling En Hij zeide hemSta op en ga heen: uw geloof heeft u gered. „F I A X" Langzaam kropen de uren voorbij voor de jonge moeder die aan het ziekbed vaD haar kranke knaapje waakte. Met angstigen blik sloeg zij het onrustig woelen van het arme kind gade; met steeds stijgende onrust zag zij het klamme zweet zijn aangezicht bedekken. De benauwde ademhaling, de hooge koorts, die het kleine lichaam deed schokken, duidden maar al te zeer aan, dat de dood reeds zijn magere armen naar zijn prooi uitstrekte. Hier baatte geen hulp van geneesheeren en professoren meer; het uur van scheiden voor het nauwelijks vierjarig knaapje was reeds nabij. Met droge oogen, waarin de wanhoop FEUILLETON. Romantisch verhaal naar het Fransch. 168 Ge moogt me straffen zooveel gij wilt, riep hij, doch ik verbied u me te slagen. Ge zijt sterker dan ik en zulks is laf van uwen twege. Ik ben hier om te gebieden, beest. Ik doe wat ik wil; leve de natie! En nogmaals hief hij de ruwe vuist op en sloeg des jongen in 't volle gelaat. Een jonge soldaat der garde die het gehuil van het kind vernam kwam toegeloopen. Wat is er gaande, mompelde hij, van waar stijgt dat gerucht. Het gehuil van het kind werd smartelijker; het greep den jongen soldaat in het harte. Dat een kind zoo mishandeld wordt kan de Konventie niet willen, mompelde hij, ter wijl hij door het sleutelgat in de kamer trachtte te zien. Ge zult zingen, hoorde hij Simon schreeuwen Madame Veto heeft gezeid Dat Parijs in bloed zal baden! Hop, zing me na! maar al te wel haar stempel had gedrukt, de handen krampachtig ineengewrongen, zat Pauline, geheel troosteloos, aan de sponde van haar kind. Doch geen gebed kwam over haar lippen, geen bede om hulp, om troost, om kracht steeg uit haar hart omhoog. Zij had reeds zoovéél geleden, zij had reeds zoo menige smeekbede tot God opgezonden, doch zij had geene verhooring gevonden Eiken nieuwen morgen verwachtte zij de genezing van haar kind; heden nog had zij op een wonder van Gods goedheid gehoopt. Doch de dokter, die haar zoo juist verliet, had haar alle hoop op beterschap benomen en wanhopig was zij op een stoel neerge zegen. Neen, God zou haar niet verhooren vruchteloos was haar smeeken geweest; haar eenigst kind, de trots zijns vaders, de liefde van haar moederhart, moest sterven! Hij was gedoemd het leven teverlaten.dat hij ternauwernood was ingetreden. Een zacht gekreun deed haar zich angstig over de lijdenssponde heen buigen. De groote blauwe oogen van het wicht zagen haar, als om hulp smeekend, aan, de kleine hand jes strekten zich een weinig naar haar uit. Met onstuimigheid omvatte zij het kind en overdekte het met hare heete kussen. Zij wist dat zij hieraan niet goed deed hoe licht kon zij de besmetting overnemenDoch wat deerde haar zulks, nu zij niet meer voor haar kind behoefde te leven. „Drinken", lispelde de knaap nauw hoorbaar, „moeke, ik heb zoo'n dorst". Haastig rees zij overeind, schonk water in een glas en beproefde hem er iets van te doen drinken. Met moeite bevochtigde hij zijn droge lipjes aan het verkwikkende vocht, dan lachte hij haar flauwtjes toe en scheen licht in te dommelen. 't Was middernacht, doodsche stilte heerschte in het gansche huis: ook het kind scheen wat tot rust te zijn gekomen. Pauline's oogleden hingen zwaar van den slaap, 't was ook reeds de derde nacht, dien zij wakend doorbracht. Een gevoel van mat heid maakte zich van haar meester, doch zij verzette zich hiertegen. Eindelijk echter ontfermde de slaap zich over de arme vrouw. En terwijl zij sliep, droomde zij. Pauline kon de drie vrouwen duidelijk onderscheiden, zij waren allen schoon en jong. Aan hare kleeding nochtans bemerkte zij, dat er een groot verschil in de maat schappelijke positie bestond, doch wat maakte dit thans uit? Eenzelfde droefheid had zich van haar meester gemaakt, eenzelfde angst kwelde hare zielen; alle drie bleken jonge moeders te zijn, wier eerstgeborene op het punt lag te sterven. Zij spraken geen woord, hare gejaagde ademhaling belette haar zulks. Na een half uur gaans bereikten zij een kruispunt, vanwaar drie wegen naar het woud leidden. Een oogenblik stonden zij stil, dan sloeg elk harer een verschillend pad in. De heete stralen der zon schenen haar niet te deren, haastig vervolgde ieder haren weg. De eerste bereikte het bosch. Doch ziet, een engel in glanzend witte kleederen trad haar tegemoet. Met vriendelijke stem vroeg hij wat zij begeerde. Ik doe het niet! Ik kan het nietkermde de kleine. De soldaat hoorde eenige doffe slagen, het gekerm vermeerderde, daarna klok de stem van Simon weer harder Zie zoo, beest, ik zal u wel klein krijgen! Dat is schandelijk! riep de soldaat woe dend. Hij wierp de deur open en nu zag hij hoe Simon den knaap bij de ooren trok. Zing, kleine hond, schreeuwde hij. Een pijnlijk gesnik was het eenige antwoord van het kind. Doe wat ik zegklonk het weer. Wat voert ge toch uit? vroeg de schild wacht met een dreigenden blik. Wat beteekent dat hier? Ik straf den jongen wolf, antwoordde Simen lachend. Waarom Hij wil niet zingen. Heeft men u belast den knaap te leeren zingen Dat gaat u niet aan. antwoordde Simon. Maar ik wil het gejammer van het kind niet langer hooren. Ge zijt een ellendeling. Schaamt ge u niet, het ongelukkig kind zoo te mishandelen Hij wil me niet gehoorzamen. Ik wil hebben dat hij het liedje van Madame Veto zingt, en hij moet en zal het zingen. „O, engel Gods," sprak de jonge vrouw, „mijn eenige zoon ligt op stervenik wilde water putten uit de bron om hem het leven weer te geven." Droevig keek de engel haar aan. „Vrouw," sprak hij zacht, „hebt gij den Gever van alle goeds wel gebeden?" „Zeker", haastte de vrouw zich te ant woorden, „doch God schijnt mij niet te ver hooren." „Is wat God doet, dan niet welgedaan." vroeg de engel: „moeder breng uw kind ten offer." Doch de vrouw schudde krachtig het fraaie hoofd. „Neen, neen," sprak zij, „dat nooit! Mijn kind moet leven, wij kunnen hem niet missen, 't is de eene afstammeling van ons doorluchtig huis. Ons geslacht zou uitsterven zonder hem, hij moet het wederom t'ot eer en aanzien brengen. Neen, engel Gods, ons kind staan wij niet af, wat er ook gebeure!" Reeds wilde zij den engel voorbij gaan, maar deze greep haar vast en met aandrang smeekte hij haar nogmaals zich aan God over te geven, daar wat de Heer deed, toch immers goed was; doch zij rukte zich los en snelde naar de bron, vulde haar kruik met water en verliet ijlings het bosch. Pauline volgde haar; zij zag haar het kasteel harer voorouders bereiken, zij zag, hoe zij het kind van het water deed drinken en hoe het genas. Ook de tweede moeder drong het woud binnen en ook haar trad 'n engel tegemoet. „Moeder, waar haast gij u zoo henen," was haar deelnemende vraag. „En zij antwoordde: „Ik ga water schep pen uit de bron des levens, want mijn kind ligt op sterven." En de engel vervolgde: „Vrouw, hebt gij uw Schepper, den Meester van leven en dood, wel gebeden?" En de vrouw sprak: „Gewis engel Gods, ik beloofde den Heer alles, indien Hij mij mijn kind slechts liet, maar God heeft mij niet verhoord." „O moeder," sprak de engel en zijn wan gen kleurden zich hooger, „verzet u niet tégen uw Goa. is wat ae neer aoet, znet welgedaan? Keer naar uw woning terug en onderwerp u aan den wil van den Meester." Doch de vrouw luisterde al niet meer, zij vlood henen naar de bron, vulde haar kruik en snelde huiswaarts. Eén oogenblik kwam wat de engel haar gezegd had haar in het geheugen, één oogenblik was ze geneigd het water weg te werpen, het hoofd te buigen, doch helaas, maar al te spoedig verwierp zij deze betere gedachtenzij dacht weer aan het schoone lachende kindzij wilde en kon het niet missen. En bij hare thuis komst gaf zij het kind het levendmakende water, het dronk en genas. En ook de derde moeder betrad de met dennennaalden bestrooide paden van't som bere woud en een engel met schitterende vleugels trad ook haar tegemoet. „Moeder, waar henen leidt uwen weg", zoo luidde zijne vraag. En zij antwoordde: „Engel Gods, mijn zoon ligt op sterven, ik ga water putten uit de bron, die het leven geeft". En de engel sprak: „Vrouw, hebt gij den Heer en Meester wel gebeden?" En haastig antwoordde de vrouw „Voorzeker engel Gods, doch de Heer heeft mijn gebed niet verhoord." En wilt gij u dan niet aan Gods H. Wil onderwerpen," zoo klonk het weer. Wat? riep de jongeling woedend. Wilt ge van het kind eischen dat hij zijn moeder beschimpt? Ge zijt een schurk En gij zijt een aristokraat, naar het schijnt. Burger Simon, beleedig me niet, 't zou u misschien slecht kunnen bekomen. Ik zal u laten aanhouden, ge stoort mij in mijn onderricht! schreeuwde Simon. Zing, beest! aldus wendde hij zich weder tot den knaap en gaf hem een slag in 't gelaat. Maar in hetzelfde oogenblik viel de natio nale garde op hem aan, wierp hem tegen den grond en gaf hem een duchtig pak slaag. Simon riep om hulp. Het rumoer had ver scheidene lieden van de wacht doen toesnellen, doch geen van allen stak een hand uit om hem te helpen. Hij werd door iedereen gehaat, en hoewel zij misschien den knaap zelf ruw bejegend zouden hebben, stuitte het hen toch tegen borst, dat die man het recht had hem zoo te mishandelen. Simon brulde van woede, de stevige vuist vgn den jongeling kwam gevoelig op hem neer. Ik zal u aanklagen, riep hijik zal zor gen dat ge op 't schavot komt. Houd uw mond, beval een officier, ge hebt een man van de wacht beleedigd, daar voor heeft hij u ransel gegeven. Dat is niet meer dan billijk. „Is wat de Heer doet, niet wel ge daan Bij het hooren van deze woorden, beving de arme vrouw een lichte huivering, bran dende tranen welden in hare oogen op en besproeiden haar gelaat. Met angstigen en om hulp smeekenden blik, zag zij tot den engel op. En deze legde zijne handen op haar hoofd en wees haar naar den hemel. ,,'t Is ons eenig kind", zoo kreet zij in doodsangst, als hoopte zij nog op ontferming. Maar zachtkens sprak de engel: „Vrouw, breng uw kind den God van liefde ten offer en Hij zal u zegenen!" „De God van liefde", zoo klonk het in hare ziel! Ja, de engel had gelijk, een God, die Zijn leven voor Zijne schepselen geeft, is een God van liefde; zij begreep thans duidelijk, dat wat de Heer ook deed, welgedaan was. „Fiat Domine" lispelde hare lippen en zij boog het hoofd, kuste den zoom van het kleed des engels, zette de kruik aan zijne voeten en verliet langzaam het woud. En toen zij haar woning naderde, hoorde zij de droeve tronen van de kerkklokken en zij begreep dat haar zoon gestorven was. Pauline zag dit alles en zij voelde de smart dezer jonge moeder evenzoo, gelijk zij de vreugde der anderen gedeeld had. Maar noch het een, nóch het ander deed haar ontwijken, en voort droomde zij haren droom. Zij ontwaarde een groot somber kasteel, met half leege, van haren rijkdom ontbloote zalen, omgeven door kale lan derijen, en zij zag een eenzame, treurende moeder, eenvoudig gekleed, met grijzend haar en diepe smartplooien om den mond, droevig heengebogen over een brief van haren zoon. Op hoogen toon werd geld geëischtgeen enkel liefderijk woord, slechts schimp en hoon, blikt haar uit eiken regel tegen. Was het dan nog niet genoeg, dat hij zijn vader lijk erfdeel verbraste, dat zijn uitspattingen bijna haar geheelevermogenverslonden.dat hij met smaad en schande zijn edelen naam bezoedelde, moest ook thans nog spot en dreigement haar deel worden? en in snikken uitbarstende verborg zij klagend het moede hoofd in de doorschijnende handen. En Pauline herkende in haar de moeder die niet naar den Engel had willen luisteren en haar zoon niet ten offer had willen brengen. En wederom vertoonden zich andere beel den aan haren geest. Zij bevond zich in eene groote kamer; de wanden waren met dikke kleeden bedekt, de ramen van ijzeren tralies voorzien en ineengedoken in een stoel zat een jonge man van omstreeks 25 jaren. Met onnoozelen starren blik volgde hij de bewegingen van een vrouw, vóór haar jaren door kommer en smart gebroken. Met oogen, waarin de zenuwachtige span ning duidelijk merkbaar was, verrichte zij haar bezigheden, angstig iets te zullen doen waarmede zij den toorn van haar kind zou opwekken. Want zij kende maar al te wel zijne woeste driftbuien, wanneer hij met het hoofd tegen de muur opliep en een gebrul als van een wild dier uitstiet. „Ontoerekenbaar, voor immer krankzin nig", hadden de geneesheeren eenparig ver klaard en reeds jaren duurde deze toestand, waaraan de dood slechts een einde kon maken. En toen Pauline oplettend de arme moe der gadesloeg, bemerkte zij, dat het de vrouw was, die de raad van den engel in den wind had geslagen en zich niet aan den Wil van den Heer had willen onderwerpen. En ook Hij heeft zijn verdiende loon, sprak een serjeant va» de wacht, 't Is schande zooals hij het kind mishandelt. De knaap stond huilend midden in de ka mer. Hij reikte den officier de hand. Ik dank u, mijnheer, sprak hij, maar Simon zal me nog harder slaan, als ge niet meer hier zijt. Roep dan maar en ik zal u dadelijk te hulp komen, zei deze. En gij, Simon, waar schuw ik, u in acht te nemen. Ik zal bij de Konventie melding van u maken, en bemerk ik dat ge weer iets onbetamelijks van den knaap vordert, dan komt gij er zoo goed niet af als nu. Zondag, den 7 Juli 1793, liep het gerucht te Parijs dat Lodewijk XVI uit den Toren was gelicht, dat men hem in de stad gezien had terwijl hij door de soldaten van generaal Dil lon in triumf naar St. Cloud was gedragen. Het volk liep woedend naar den Tempel ten einde zich van de waarheid dezer tijding te overtuigen. De wacht van den Tempel die den kleinen niet meer had gezien sedert Simon een pak slaag had opgeloopen, want hij sloot hem zorgvuldig op, bevestigde dit nieuws en zei dat Lodewijk XVI niet meer in den toren was. Er ging een algemeen gehuil onder de me nigte op. Ten einde dit gerucht te logenstraffen Zij Zag een langen, zonuigcn weg, up welks einde men een bosch ontwaarde en op dezen weg bevonden zich drie jonge vrouwen. Met haastigen tred, als vreesden zij te laat te zullen komen, snelden zij voor waarts, alle gedreven door eenzelfde ver langen, zoo spoedig mogelijk het woud te bereiken, waar zich de bron bevond, wier water in staat was den kranken de gezond heid weer te geven.

DIGITALE PERIODIEKEN IN DE VOORMALIGE GEMEENTEN HELDEN, MEIJEL, KESSEL EN MAASBREE

Midden-Limburg | 1934 | | pagina 1