Mm* SlAaa cw m^a Mm MARIA ANTOINETTE No. 19 ZATERDAG 21 Juli 1954 ZEVENTIENDE JAARGANÖ Advertentieprijsvan 1-5 l)it blad verschijnt el ken ÊBSP ^tS regels f 0.50; elke regel Zaterdag. Abonnements nRBft. JHBT p§ Hg meer 10 ets. Grootere prijs per jaar f2.-, franco ffH& ÊfwjU Sn dfl letters en vignetten naar aan huis bij B^^k ^^B ^gj g^^Sl BP*jB| Hl |H^Vk plaatsruimte, betaling Losse num- I aAfl BB Hl H B| B BH SnB bB B bB 9 WÊ B| BB ^B ^B ^B fl BLJBF Reclame-annonces tus- mers B W ^B H B BH B B B B H H Bj H H E8 JBB RH H schen den tekst 20 ets. wacht tot Donderdag- •fè.T* t i i t f J de uitgever, om redenen morgen 10 uur. F\i 1 All ULTC- Afl li VPf i AtlTl A il I 51H te zijner beoordeeling, illl/UWO Wil mi vl IvllllvWIUU nietverlaiïgtteplaatsen, gewacht tot uiterlijk Teleioon nr 8, Panningen. Postcheque giro Io/l8. worcjt (je oiigineeleco- Vrijdagmorgen 10 uur.Adres Voor Redactie en Administratie L. KASSTEEN, Heider-Panningen. pie niet teruggegeven. VOORUIT. Vooruit wil de wereld, Steeds lustig en blij Vooruit en steeds verder, Dat willen ook wij. En komt er belemmering. Vooruit toch, wat nood! Niets mag ons weerhouden, Want stilstand is dood. Doch 't pad, dat de wereld Ten voortgang ons biedt, Is 't pad, dat wij kiezen, ls 't ware pad niet. Naar boven, naar boven, Daar moeten wij heen Steeds verder, o zeker, Maar hooger meteen. Daarheen immer de oogen, Daarheen steeds het hart, Al ziet ook de toekomst Zoo donker en zwart. Vandaar straalt de zon ons Van heil in 't gezicht, Uit 't Rijk van de vreugde, Van rust en van licht. EVANGELIE 9e Zondag na Pinksteren. Luc. 19: 41-47. En toen Hij naderde en de stad zag, weende Hij over haar en zeide: Mocht ook gij, en wel op dezen uwen dag, nog erken nen wat u tot vrede strektDoch nu is het voor uwe oogen verborgen. Want er zullen dagen over u komen, dat uwe vijan den een wal rondom u opwerpen en u om singelen, en u van alle kanten benauwen: en ze zullen u, en uwe kinderen in u, tot den grond toe verdelgen, en ze zullen in u den eenen steen niet op den anderen laten, omdat ge den tijd uwer bezoeking niet hebt erkend. En in den tempel gekomen, begon Hij hen die daar verkochten en kochten uit te drijven, terwijl Hij hun zeide: Daar staat geschreven: „Mijn huis is een huis des ge- beds." Maar gij hebt er een roovershol van gemaakt. En dagelijks leeraarde Hij in den tempel. De opperpriesters echter en de schriftge leerden en de oversten des volks zochten Hem te dooden. De Zwarte Vinger. Een Ziekenbezoek. XVI. En toen pater P. de kleine, koude hand in de zijne drukte, trof hem de blik vol vertrouwen uit Andy's stralende oogen tot in 't diepst zijner ziel. „Dat is het werk van Erik," dacht hij onderweg, „van mijnen armen, verbannen jongen 1 Om dezen kleinen stervenden knaap te voeden, heeft hij gestolen en gelogen; als een halve wilde wist hij zich niet beter te helpen. En mijne woorden, welke ik dacht dat nutteloos verspild waren, heeft hij als „verhalen" aan zijnen stervenden makker verteld, om hem daarmede een plezier te doen, en deze woorden zijn voor Andy's reinen blik licht en waarheid geweest om zijne ziel voor den Hemel op te wekken en te winnen. Ach, Erik, mijn arme, kleine, blinde Erik! Laat God u toch terugleiden, voor het te laat is. En terwijl pater P. met dit gebed op de lippen ijlings het ruwe bergpad volgde, kroop de verwaarloosde gestalte, die zich achter de hut verborgen had, te voorschijn en trad onaangemeld binnen. De oude Biddy sprong op met een kreet: „Terence, Terence, mijn arme jongen 1 Andy, het is uw vader, knaap, uw vader is terug 1" „Andy," riep de binnentredende, die op het eerste gezicht een gebroken man scheen te zijn, maar in werkelijkheid eene reus achtige gestalte in de kracht zijner jaren was. „Andy", herhaalde hij, terwijl hij met starren blik, diens kleine, vervallen gestalte beschouwde, die hem zonder te spreken de vermagerde armpjes toereikte. „God in den hemel!" En met een heeschen kreet viel de sterke man naast het ellendige leger van zijnen zoon neer op de knieën. „Is dat Andy? Is dat alles wat mij over bleef? Mijn-knaap, mijn jongen, mijn arme, doode Molly-lief! Heb ik daarom mijne ketenen verbroken en ben ik door de bloed honden achtervolgd om dit te aanschouwen Een oogenblik verborg de spreker zijn hoofd in het hoofdkussen Van den knaap, terwijl zijne forsche gestalte zich kramp achtig wrong. Daarna sprong hij op, balde de vuisten en stiet eene schrikkelijke gods lastering uit. „Vader," kreunde Andy met moeite, „zeg dat niet, vader doe het niet anders sterf ik dadelijk." „Mijn jongen, mijn lieve, lieve jongen," steunde de arme man, die bij den aanblik van den naar adem snakkenden knaap alles om zich heen vergat. „Waar zou ik maar een druppel whisky of soep vandaan halen?" riep de oude vrouw, die wanhopig de handen wrong en bitter snikte. „Het beetje brood, dat Erik in den laatsten tijd bracht, heeft ons in de laatste dagen in 't leven moeten houden. Terence, Terence, waar gaat ge heen, wat wilt ge doen, riep zij, terwijl zij den arm van haren zoon vastgreep, die de deur openrukte. „Laat mij los, laat mij los! Wat ik doen wil? Als dit zijn moet, zal ik den duivel mijne ziel verkoopen als ik daardoor het leven van Andy kan redden! Laat mij los, zeg ik; ik loop naar Mc. Garrahan om iets voor het kind te halen," en zijne moeder terugstootend snelde hij de deur uit. „Terence, Terence." snikke Biddy, „ach, als hij den brandewijn proeft, is alles uit met hem." Handenwringend keerde de oude vrouw naar Andy terug om zijne lippen te bevochtigen en zijne opgewondenheid door eene hoop te sussen, die haar hart logenstrafte. „Uw vader is weg, om eten en melk en wijn voor u te halen. Zoo zullen wij voor taan altijd leven met thee en suiker en me dicijnen van den dokter, om u sterk en ge zond te maken. Het zal u aan niets meer ontbreken, nu uw vader teruggekomen is Andy, aan niets meer. Verheug u." „Zal hij spoedig weerom komen? steunde Andy, die nog altijd sidderde. „O, mijn vader, mijn vader! Of hij mij ook weer in zijne armen neemt, grootmoeder? God is heden werkelijk goed voor mij, al te goed. Heden beleef ik niets dan vreugde! Nu zal ik stil zijn en mij verheugen en de woorden bidden, d e pater P. mij voorgezegd heeft, want het begint reeds te schemeren en met het vallen van den avond komt hij terug." Een uur later, toen Andy koortsig slui merde, werd er een gevulde korf in de hut gebracht. De oude hief vol verbazing hare handen en hare oogen ten hemel, toen zij zag wat hij bevatte. Daar zag zij: Brande wijn, wijn, bouillon, gelei, brood, vleesah zelfs eenige sinaasappelen en geconiijte vruchten, die de oude vrouw niet eens bij naam kende. „Hoezee, hoezee", riep zij, toen zij de lekkernijen, die als eene bespotting harer armoede schenen, uitpakte. „Gelooftgij.dat Terence Magee dat allemaal betaald heeft?" De bode, eene stoffelachtige jongen, de zoon van Mc. Garrahan, zeide met een hatelijken g imlach„Betaalt! Dat zal nog wel wat aanloopen!" Op den berg. Het schouwspel der ondergaande zon was dezen avond schilderachtig mooi. Het wes ten pronkte met glinsterende ijspieken en sneeuwbedekte dennen, met purperroode banieren en roze getinte teekens en figuren. De besneeuwde bergkruinen vingen de ver dwijnende stralen nog even op en straalden in een bedriegelijken schijn van warmte en leven. Hoog verheven, boven op het hoogste punt der „Berenpunt" zat Erik met Eber aan zijne voeten en beschouwde de onder gaande zon. Hij was vlug en ver wegge vlucht, nadat hij door het kleine venstertje van zijn kamertje ontsnapt was. Hij gevoelde zeer goed in zijne beklemmende onbehaag lijkheid, dat hij de goedige oogen van zijnen beschermer niet meer ontmoeten mocht, als hij door dieas gebiedenden blik niet wilde overwonnen worden. „Weg, Eber, weg," had hij geroepen, toen hij met zijnen ouden speelmakker den berg opsnelde. „Hij stuurt mij weg, als wij niet vlug weglpopenhij wil mij wegzenden, weg van deze heuvels en rotsen, in eene school, Eber. En daar moet ik den geheelen dag schrijven^en krabbelen en daar word ik geslagen en in een hok gesloten, als ik het niet goed doe. En gij zoudt niet meer bij mij mogen komen, arm dier. Maar ze hebben ons niet gekregen, niet waar, Eber U en mij houdt men niet licht gevangen. Weg, ouwe jongen, weg, weg En knaap en hond sprongen de steile hoogten op met die wilde, zegevierende vreugde, die den wilde bevangt, wanneer hij zijne ketenen verbroken beeft en de we reld weer open voor hem ligt. Maar dit vreugdejubel over zijne herkregen vrijheid was slechts van voorbijgaanden aard. Erik zat op een groote, vlakke uitstekende rots, juist tegenover de ondergaande zon. Eene schaduw lag op zijn jong voorhoofd en in zijne schitterende oogen. Voor hem, het wilde kind der natuur, had de wilde een zaamheid en de aanbrekende nacht niets verschrikkelijks. Het was geene vrees, die hem zoo bezorgd deed kijken, maar het waren zijne treurige gedachten. Ja, hij dacht na en voor de eerste maal in zijn leven waren deze gedachten begeleid van een onbestemd harteleed. Hij kon het neder- drukkende gevoel van eenzaamheid en leegte, dat onbestemde harteleed zelf niet begrijpen. Wel had hij bij Dan's dood ook een zeker gevoel gehad, doch dit was geen hooger gevoel, dan dat van een veulen, dat men met geweld van de merrie scheidt. Maar de lange weken, die hij in het licht des heiligdoms onder heiligen en reinen invloed doorleefd had, waren op hem niet zonder uitwerking gebleven. Erik's ziel was ontwaakt en zijne ziel was het ook, die zich dezen avond eenzaam en verlaten gevoelde. „Ik zou toch wel willen weten, of ze mij ook missenhet moet nu de tijd van het avondluiden zijn en ik ben niet daar om dezen avond bijtijds te luiden en Tim ook niet. Ik kon het anders al net zoo goed als Tim zelf." Erik's gelaat helderde bij deze herinnering eenigszins op. „Drie slagen rust, drie slagen rust, drie slagen rust en dan maar flink er op los luiden. En gij huildet altijd, Eber," riep hij, terwijl hij den hond ergerlijk aanzag; „Waarom, dat kon ik niet zeggen. Misschien steekt de duivel in uw lichaam en die kan de gewijde klokken niet lijden. Ik denk, dat diezelfde duivel ons nu te zamen krijgen zal. Het was anders een behaaglijk plaatsje, dat wij hadden, Eber! Altijd een warm vuur en dan de berenhuid er voor, om er ons op neer te vlijen, als wij maar wilden, en ruim te eten en te drinken. Gij zult nu niet veel hoenderbeentjes meer krijgen, want ik durf mij bij geen kippenhok meer te laten zien; wij zullen ons warm kwartier hard missen, geloof mij dat maar, Eber, en ook de botermelk van Kaat en den ouden Tim en pater P. Dat was allemaal te goed voor ons, alles te goed, Eber!" De zon was ondergegaan. Alle heerlijk heden, die zij aan den westelijken hemel getooverd had, waren verdwenen. Alleen een zachte rooskleurige gloed tintte nog de besneeuwde hoogten en deze wekte in Erik weer nieuwe treurige herinneringen. „Het is juist het licht der altaarslamp," zeide hij tot zich zelve. Wij zullen er in de schemeruren niet meer onder zitten op de treden van het altaar, Eber. Het is een won er, dat wij er zoo lang konden blijven maar het was er toch mooi met dat roode licht, en pater P. speelde zoo mooi op het harmonium en Tim brandde den zoeten wierook in de lucht en alles was zoo zacht en geheimzinnig alsof Hij, die daar woont, niet wist, wat voor een arme jongen ik ben, die geteekend is met den zwarten vinger, die door geen heilig water mag afgewas- schen worden. Slechts mijn hartebloed kon het uitwisschsn, zeiden de „geheime gezellen," toen zij het mij maakten, alleen mijn hartebloedO wee, het zijn zwarte duivels, die op een armen jongen als ik hun zwart teeken kunnen maken. Dan zou het zeker FEUILLETON. Romantisch verhaal naar het Fransch. 164 De Konventie zond daarop vier Jacobijnen, Camus, Bancal, Quivette en Lamerque, bene vens den minister van oorlog, Beurnonville, naar Dumouriez's legerplaats te Sint-Amand, om den generaal voor de Konventie te dagen en in geval van weigering hem af te zetten. Toen de afgevaardigden in't kamp kwamen, was het verbond met de Oostenrijkers zóóver gevorderd dat Oostenrijksche huzaren de wacht voor Dumouriez optrokken. De generaal wei gerde aan het bevel der Konventie te gehoor zamen en draaide de commissarissen den rug toe. Deze volgden hem echter naar zijn gene- ralen staf. Camus vroeg Dumouriez in 't bijzijn zijner officieren Wilt ge de Konventie gehoorzamen of niet Neen, antwoordde Dumouriez. Dan stellen we u af; we zullen uw pa pieren verzegelen en u zelf gevangen nemen. Dat zullen we zien. He, hierheen, huzaren Hij liet de commissarissen gevangennemen, leverde ze aan de Oostenrijkers over, bij wie ze een lange en smadelijke gevangenschap verduren moesten. De officieren van het leger kwamen tegen den generaal in verzet. De Konventie ver klaarde hem buiten de wet. Dampierre stelde zich aan het hoofd der tegenpartij. Dumouriez vluchtte onder de verwensching: zijner soldaten naar de Oostenrijkers en Dam pierre ontving het bevel over het leger. Dumouriez kreeg van Engeland een pensioen: en verdween uit de geschiedenis der Revolutie;. De koningsgezinden spanden hun krachten: in om de koninklijke gevangen te verlossen. Zekeren Toulan was de leider van een met', dit doel gesmeed complot, dat echter mislukte. Nauwelijks was de tijding van Dumouriez'' verraad te Parijs gekend of de Konventie liet de wacht om den Tempel verdubbelen en stichtte den 6 April het comiteit van Alge meen Welzijn. Dit comiteit stond boven de ministers em zijn negen leden waren gemachtigd alles te- doen en in te richten, wat ze in het belang van het land noodig oordeelden. Het waakte over de werkzaamheden der ministers die zich aan hun bevel moestem onderwerpen. Het erkent geen enkele macht boven zich dan de bevestiging zijner besluiten door de Konventie. Geheel de familie der Bourbons werd door dit comiteit gevangen genomen of vogelvrij verklaard. De beroeringen die Frankrijk dooreen schokten drongen niet door de zware muren van den Tempel. De jonge koning die door de Europeesche vorsten werd erkend, was slechts een onge lukkige gevangene, onbewust van ai hetgeen men in zijn naam verrichtte. Zijn moeder bleef oukundig van de meeste zaken die er voorvielen. De arme koningin was nu vermagerd, de diepste droefheid stond op haar trekken te lezen iedere rimpel vertegenwoordigde gansch een leven van smart en lijden. Nu en dan nochthans werd haar gelaat ver helderd door een zonnestraal, een glimlach van onuitsprekelijke teederheid die haar kin deren gold. Haar dochter groeide slank en bevallig op, een bloem op een distelveld; haar zoontje, de dauphin, zoo gevoelig, verstandig voor zijn jaren, zocht zijn moeder door allerlei zoete woorden te troosten. De goede Elisabeth, de waardige zuster van Lodewijk XVI, trachtte balsem te plengen op de diepe, ongeneesbare wonde die het harte der koningin had getroffen. Had de arme vrouw reeds veel geleden, een grooter, ontzettender smart wachtte haar. Het was de dag na de ontdekking van Toulan's complot. Die gebeurtenis had heel Parijs geschokt, er liepen geruchten als was de dochter der Tison's zelf in het complot gemengd. In de tweede kamer op de derde verdieping, die door een houten beschot van de andere vertrekken is gescheiden, zitten twee vrouwen, een jong meisje en een knaap van negen jaar. Allen dragen rouwkleeren. De jongere vrouw houdt zich bezig met naaiwerk; zij schijnt acht-of negen-en-twintig jaar te wezen. Zij is de zuster van Lodewijk XVI, de schoonzuster van Maria Antoinette. Het meisje, dat ongeveer veertien jaren schijnt, zit aan het bed van den knaap, die ziek is en van vermoeienis de oogen gesloten heeft, ofschoon hij bij het geraas, dat de schildwachten buiten de kamer maken, zeker niet kan slapen. Eensklaps wordt de stilte binnen bet ver trek verbroken. Onaangemeld treden verschei dene mannen de stille kamer binnen. 't Zijn woeste Sansculotten, met wapens in de hand en in den gordellaag- en gemeen heid staan in hun trekken te lezen. Maria-Antoinette leest, maar misschien denkt zij terug aan de dagen toen hertogen haar om de gunst van een audiëntie lieten ver- „Hij sterft, hij sterft, en ik heb hem ge dood." Moeder, snauwde hij de arme Biddy woedend toe, „een druppel whisky, vlug, vlug 1"

DIGITALE PERIODIEKEN IN DE VOORMALIGE GEMEENTEN HELDEN, MEIJEL, KESSEL EN MAASBREE

Midden-Limburg | 1934 | | pagina 1