MARIA ANTOINETTE No. 18 ZATERDAG 14 Juli 1934 ZEVENTIENDE JAARGANG Dit blad verschijntelken «L MKm gb 0ggÊ ^gg «EP A Advertentieprijs van 1-5 Zaterdag. Abonnements iBM. MÈÊi ffH plf regels f 0.50; eikeregel Ingezonden en andere WF flHL JjB Mi BS ^ES Hl Ü1 JES rafL^lf h&JhL H schen den tekst '20 ets. stukken worden inge- W ^^3cr" «EBWHHV w^5MP tjjP^MM| Per ref wacht tot Donderdag- SL B Vanadvertenties,welke Advertenties worden in-NjfiUWS" CU At!VCfiCïï Cfe 13(1te zijner beoordeeling, gewacht tot uiterlijk Telefoon nr 8, Panningen. Postcheque giro 15718. wnrTr^ mia/n^Wo.' Vrijdagmorgen 1 uur.—————— Adres voor Redactie en Administratie L. KASSTEEN, Helden-Panningen. 2 pie niet teruggegeven. Christelijke Huwelijks zegen. Geef Gij ons arbeidskracht en -lust. Dat hart en hand, voor U geschapen, Den tijd niet nutteloos verslapen Dat op ons werk uw zegen rust' En het uw glorie en uw eere En tevens ons geluk vermeere! Geef niet te min, ook niet te veel Van wereldsch goed,slechts 't voegzaam deel, Dat ook een vriend, een eensgezinde, Aan onzen disch een plaatsje vinde, En de arme ons niet zij tot een last, Maar tot een steeds welkomen gast. Weer van ons wie ons lastren zoude! Dat wie U liefheeft van ons houde! Vreê met de buren zij ons deel En eerlijk trouw dienstpersoneel. Geef, dat wij niemand willens krenken En leer ons graag vergifnis schenken Aan wie ons oorzaak is van smart, Den naasten nood ga ons ter hart. Geef vrede in onze levensdagen! Weer oproer, krijg en alle plagen! Behoed ons dak voor brandgevaar, Ons huis voor ziekten lang en zwaar. Opdat, naar lijf en ziel gezond, We U mogen dienen te allen stond! En heersche in 't U zoo toegewijde Geloof, hoop, liefde te allen tijde! EVANGELIE 8e Zondag na Pinksteren. Luc. 161 9. Maar ook tot zijne leerlingen zeide Hij: Er was zeker rijk man, die een rentmeester had. En deze werd bij hem beschuldigd, dat hij zijne goederen verkwistte. En hij ontbood hem en zeide hem: Waarom hoor ik dat van u? Geef rekenschap van uw rentmees terschap, want ge kunt geen rentmeester blijven. Maar de rentmeester zeide bij zich zelf: Wat zal ik doen? Want mijn heer ontneemt mij het rentmeesterschap. Spitten kan ik niet, te bedelen schaam ik mij. Ik weet wat ik doen zal, opdat ze mij, als ik uit het rentweesterschap ontzet ben, in hunne huizen opnemen. En hij ontbood één voor één de schuldenaars van zijnen heer, en hij zeide tot den eerstenHoeveel zijt ge mijnen heer schuldig? Deze zeide: Honderd vaten olie. En hij zeide hemNeem uw schuld brief, en ga vlug zitten, en schrijf: Vijftig. Weer tot een anderen zeide hijMaar gij, hoeveel zijt ge schuldig? Deze zeide: Hon derd mud tarwe. Hij zeide hem Neem uwe papieren en schrijf: Tachtig. En de heer prees den bedriegeüjken rentmeester, omdat hij voorzichtig gehandeld had. Want de kinderen dezer wereld zijn voorzichtiger dan de kinderen des lichts, wat hun eigen kring FEUILLETON. Romantisch verhaal naar het Fransch. 163 De familie Tison begon de koninklijke mar telaars te bespieden met al den ijver die den haat kan verwekken. Het was omstreeks twee uren, twee uren na middernacht; om haar moeder te gehoorza men had haar dochter zich te ruste gelegd; aan het bed van den ingesluimerden dauphin klaagden de tw(e zusters hun leed. Verwonderd dat men in de kamer van Maria-Antoinette sprak, stond vrouw Tison op, klopte aan de deur der gevangenen en vroeg de reden der nachtelijke samenspraak. Haar echtgenoot volgde haar na de munici- palen te hebben gewekt. Door de half geopende deur voegde mevrouw Elisabeth op zoeten toon hun toe: Ik bid u, laat ons toch in vrede weenen. Door zooveel droefheid ontwapend lieten de ruwe mannen den vrijen teugel aan haar droefheid. Den 22 Januari was de koningin uiterst zwak en kon haar angst niet stillen. De smart en het nachtwaken hadden haar uitgeput. Zij aangaat. Ook Ik zeg u: Maakt u zeiven vrienden door middel van den bedriege- lijken mamom, opdat ze, bij uw verscheiden, u opnemen in de eeuwige tenten. De Zwarte Vinger. Een Ziekenbezoek. XV. Grootmoeder, denkt ge dat hij komen zal? vroeg Andy voortdurend, terwijl hij het spel der vroolijke zonnestralen op den muur beschouwde, „De schaduwen naderen reeds mijnen hoek weldra moet het middag zijn. Denkt ge, dat de priester komen zal?" Ik kan het u niet zeggen, mijn jongen. Ik heb weinig verstand van pastoors en priesters. Laat het u maar niet spijten, als hij ook niet komt. Kan hij dan nog iets beters voor u doen, dan uwe eigen, oude grootmoeder? Kom, ik leg u den warmen doek nog eens op uwe borst, opdat gij niet koud wordt. - Neen, neen, kreunde Andy, „ik heb nu geen pijn. Slechts eene zachte siddering gaat door mijne ledematen en deze doet mij denken aan den vogel, dien ik in de oude rattenval gevangen heb; wat sloeg hij met zijn vleugels. Grootmoeder, als ik weergezond word, vang ik nooit meer vogels, Jij, arm schepsel, hebt nooit een vogel veel pijn veroorzaakt, snikte de grootmoeder aangedaan. Wanneer ik weder genees, grootmoe der, breng ik u flinke bundels hout om uw vuur te stoken. Dan loop ik niet meer weg met Erik en ik laat u ook niet meer alleen gelijk vroeger. Onze arme „Nan" behoeft dan ook niet meer den afval van het moes te kauwen, als op de glooiing der bergen grasrijke plaatsen zijn, waar zij zich zat vreten kan. Als ik genees, zal ik braver zijn." Ge zijt altijd braaf genoeg geweest, onderbrak hem de grootmoeder, „veel te goed voor deze booze wereld. Grootmoeder, vervolgde Andy met groote inspanning, „misschien kan vader zich wel bevrijden en uit de gevangenis komen om ons allen weer gelukkig te maken door zijnen arbeid. Dan breken weer goede tijden aan. Eiken middag eene schotel met heete aardappelen en botermelk en een kannetje thee op de kachel. En gij, gij krijgt'em1 warmen shawl om uwe schouders." De glazige oogen van den knaap schitterden en hij beproefde zich op zijne armzalige legerstede op te richten, terwijl zijne sidde rende vingers aan de dekens plukten. De arme grootmoeder wist, wat deze zeldzame opflikkering der levensgeesten bij eenen zieken te beteekenen had. „Dat zou mooi zijn, als vader terug kwam", vervolgde Andy, „hij was altijd zoo goed voor ons, nietwaar, grootmoeder? Toen ik een klein, ziek schepsel was, en voor de duisternis vreesde, nam hij mij iiv zijne armen en liet hij mij aan zijne borst slapen. Als ik nu somwijlen niet slapen kan, komt het mij voor, alsof ik een sterken hartslag hoor, net, zooals ik hem toen voelde. Och, grootmoeder, als hij maar terugkwam, als ik maar mijnen vader." Een hevige hoestbui deed de zwakke ge stalte van den zieken knaap ineenkrimpen en zijne zwakke levensgeesten schenen in eene bewusteloosheid te ontvluchten, waarin hij nog vaag en duister een krachtigen arm voelde, die hem steunde en eene zachte beschouwde hare kinderen met van koorts gloeiende oogen en onder dien blik huiverde mevrouw Elisabeth. 't Was akelig stil in het vertrek, stil als de dood, ieder hield den adem in en toen de blikken elkaar ontmoette® barstten zij in tranen los. Maria Theresia Charlotta, 's koningsdochter, werd ziek en lange nachten waakte Maria- Antoinette bij baar sponde; de moeder vergat voor een oogenblik de droefheid der echt- genoote. Den 23 bracht men de rouwcostunms.Toen de koningin haar kinderen in 't zwart gekleed zag, zeide ze Arme kinderen, voor u zal het voor lang, voor mij voor altijd wezen. Zij weende bitter. Droeve dagen en nachten verliepen. Maria Antoinette kon baar kinderen niet aanzien of haar harte sloe'g zoo geweldig dat het dreigde te breken. Zekeren dag zeide ze tot mevrouw Elisabeth Misschien heb ik den koning al den raad niet gegeven die hem redden kon, maar ik zal hem op het schavot volgen, dat voel ik maar al te goed. Alhoewel men haar dringend daartoe uit- noodigde, weigerde Maria Antoinette sedert den 21 Januari bepaald in den hof te wan- stem hoorde, die hem vriendelijke woorden in 't oor fluisterde. „Beproef nog eenige druppels van deze medicijn te slikken, mijn beste jongen, goed zoo nog eens. Goede vrouw, ween toch niet zoo, hij is immers slechts bewusteloos. Zie, daar komt hij weer tot zich zelve. Ik ben niet alleen priester, maar ook min of meer geneesheer. Nog een druppel, mijn kind." Toen Andy langzaam weer tot zich zelf kwam, zag hij een ernstig, goedig, mede lijdend gelaat, dat zich over hem heen boog. Pater P. was gekomen. De priester bleef twee volle uren aan het bed van den ster venden knaap. Het waren uren van zoete verrassing. Hij vond daar eene reine, on schuldige ziel, die met ongekend en onbe wust verlangen naar de heiligende en ver sterkende genade des geloofs verlangde, om zich met God te vereenigen. De oude Biddy haalde uit eene ruwe kist, die hare geringe have bevatte, het doopbewijs van Andy Magee te voorschijn. Het was onderteekend door eenen missie pater, die vroeger deze kleine, herderlooze kudde eens bezocht had. Andy deelde hem mede, dat hij eenige keeren naar de zon dagsschool van Tim Connor gegaan was, maar toen de jongens Tim eenen boozen man scholden, was hij weggebleven. Maar noch de genade van het Doopsel, noch het onderwijs van den rechtschapen Tim kon den de godsdienstwaarheden zoo goed in den geest van Andy geprent hebben, als hij deze scheen te kennen. Toen pater P. hem eenige vragen stelde over zijne korte onder richting, zag hij uit de gevatte antwoorden, dat hem de geloofswaarheden reeds volko men bekend waren. „Dat heeft Erik mij allemaal geleerd," verklaarde Andy. „Hij komt eiken dag bij mij en brengt mij goede zaken om te eten en te drinken. Als hij ons niet geholpen had, zouden grootmoeder en ik dezen win ter reeds lang gestorven zijn, Erik brengt ons van alles: Thee en suiker en melk en eieren en ook vette hoentjes voor mijne «»ap. En dan vertelt hij mij alles, wat u hem gezegd heeft. Erik en ik, wij waren altijd goede maatjes, al was ik ook altijd ziekelijk en hij sterk en gezond en moedig. En als hij mij dan verlaten heeft, dan zie ik alles wat hij verteld heeft in schoone beelden aan mijnen geest voorbijtrekken. Grootmoeder zegt, dat dit de koorts is, die mij deze beelden dag en nacht doen zien." „Wat ziet ge dan zoo al, mijn jongen?" vroeg pater P. ontroerd. „Ik zie het kleine kindje in den stal, dat nog eene veel slechtere rustplaats had dan ik; en. de moeder die 's nachts met hem moest vluchten voor den boozen koning en den knaap, die met hamer en de zaag werkte, zooals Erik mij vertelde. En dan zie ik Hem, hoe Hij als volwassen man de zieken geneest en den blinden de oogen opent en de kleine kinderen in de armen neemt om ze te liefkoozen, en hoe Hij zelfs de dooden weer doet herleven en gezond en sterk maakt. „En dan dan" ver volgde Andy met zachte en bewogen stem, „dan zie ik het kruis, waaraan Hij hangt en de Heilige Moeder, die er onder staat te weenen, en den H. Petrus, die door de soldaten ondervraagd wordt, en den H. Johannes, die onder het kruis stond, en dien Hij het meest beminde. En wanneer het 's nachts koud en donker is, en grootmoe der slaapt, wanneer eene siddering mij be vangt en ik angstig begin te worden, dan denk ik weer aan hetgeen Erik mij verteld heeft, namelijk, hoe Hij in de kerk is, waar delen, zij wilde niet voorbij de deur gaan van haar rampzaligen echtgenoot en minder nog in den tuin Santerre te ontmoeten die haar gemaal naar het schavot gevoerd had. Zij sloot zich op en toen haar kinderen later behoefte gevoelde aan lucht, vroeg ze om boven op den toren te wandelen, wat haar werd toegestaan. De onthoofding van Lodewijk XVI had al de landen van Europa in harnas gejaagd aan de spits der groote beweging stond Engeland. De minister Pitt, een sluw politieker, had het zoo ver weten te brengen dat hij al de Fran- sche havens blokkeerde en de Fransche schepen den toegang tot al de zeeën belette. Hij vervalschte miljarden assignaten, bracht ze in omloop en ondermijnde aldus de Fran sche Republiek. Hij verbond zijn gouvernement tot weder- zijdsche ondersteuning met Oostenrijk, Pruisen, Rusland, het Duitsche Rijk, Sardinië, Spanje, Portugal, Napels, Toskane, Parma, Madera en den Paus. Frankrijk verklaarde Engeland en Holland den 1 Februari den oorlog. De Republiek werd van alle kanten door vijanden bedreigd. Da Spanjaarden verschenen aan de Pyre neeën, de Oostenrijkers en de Sardiniërs aan de Zee-Alpende Pruisen en Rijkstroepen stonden aan den Midden-RijnÈngelschen, het roode licht voor het altaar brandt. Ja, ik geloof stellig, als ik eens naar Hem toe kon gaan, dan zou Hij zeker goed zijn voor een armen knaap als ik en de dood zou mij niet veel pijn mogen doen, als ik maar eens bij Hem kon komen," fluisterde Andy treurig, „dan zou Hij mij helpen, dat weet ik zeker." „Mijn arme, kleine jongen," zeide pater P. met tranen in de oogen, „Hij zal u zeker helpen. Luister eens Andy, Erik heeft u niet alles verteld. Als gij te zwak en te ziekelijk zijt, om naar „Onzen Lieven Heer" te gaan, dan zal Hij naar u toekomen." Toen nu pater P. met zachte stem Andy over de geheimen der liefde sprak, waardoor God nog dezen nacht in zijn huis en in zijn hart komen zou, toen schitterden de oogen van het stervende kind, en zijn ingevallen en bleek gelaat straalde van zulk een geloof en zulk eene innigheid, zooals de jonge priester ze in zijn korten diensttijd nog nooit aanschouwd had. „Zeker, dat is heel mooi; eigenlijk te mooi voor iemand gelijk ik benwij wonen hier immers in een bedelaarskot in verge lijking met zijne prachtige woning, maar als grootmoeder vegen wil en het vertrek een beetje verwarmen, dan zal het zoo erg niet zijn. Hij was immers ook eens een arme jongen." „Ja," antwoordde pater P., en de armen heeft Hij juist het liefst, Andy, en wees maar volstrekt niet ongerust over uwe wo ning. Slechts eene plaats moet Hij rein en vlekkeloos vinden en dat is uw eigen hart. Nu zullen wij eens zien, of daar niets weg te vegen is, voor Hij komt." En pater P. nam Andy's magere hand in de zijne en hoorde door eenige welgekozen vragen zijne beicht. Daar hij den heiligen Olie meegebracht had, diende hij hem ook het H. Oliesel toe. „Erik vertelde, dat dit mij genezen kon, maar ik geloof niet, dat dit gebeuren zal." „Dat moeten wij aan God overlatendie weet 't best wat goed voor ons is," zeide de priester. „Wanneer Hij ons in plaats van deze armzalige aarde den Hemel geeft, dan moeten wij verheugd en vol liefde tot Hem gaan. zooals een klein kind in de ar men van zijnen goeden vader snelt. Nu moet ik u voor eene poos verlaten, Andy, maar ik zal zoo gauw mogelijk terugkomen om u den lieven God te brengen, waarnaar ge zoo zeer verlangt. Hij zal u helpen, Hij zal de smart en de angst van uwen doodstrijd wegnemen. Bid tot Hem, terwijl ik weg ben. Bidt ondertusschen„Zoete Jezus, heb me delijden met mijne zwakheid, bereid mijn hart op Uwe waardige ontvangst voor; kom in uwe grenzelooze barmhartigheid tot mij." „Dat zal ik doen; dat zal ik zeggen, tot ge weer terugkomt. Zult ge spoedig komen?" „Ja," antwoordde pater P., terwijl hij opstond. „Het is weliswaar een verre weg tot aan de kapel, maar ik kan nog al goed loopen en als de maan opkomt, ben ik weer terug. Houd u intusschen goed mijn lieve jongen 1" Wordt vervolgd. Hollanders en Oostenrijkers trokken zich aan den Beneden-Rijn en in België samen en de Engelsche vloten verlieten haar havens. In het binnenland woede over de Republiek vreeselijke winden. De Vendeeërs kwamen volop in verzet, op andere plaatsen stookten de koningsgezinden het vuur van den opstand aan. In het Noorden geraakten Dumouriez met de Jacobijnen in botsing. Tijdens het proces van den koning had hij verscheidene malen gepoogd voor Lodewijk XVI partij te trekken. Hij smeedde het plan om den in zijn leger dienenden jongen hertog van Orleans tot ko ning te doen uitroepen. Te Parijs telde hij veel handlangers onder de Girondijnen. Men beweerde dat Danton van dit getal was. Indien de Girondijnen energiek optraden zou Frankrijk weldra weer onder een koning staan, doch, deze mannen hadden den zwaren bol van lauwheid aan hunne voeten geklon ken zij lieten zich door de Bergpartij teneer- slaan. Roland deed afstand van het bestuur en werd vervangen door Garat die als minister van Justitie vervangen werd door Gohier. Ook de minister van oorlog, Pache, lei zijn portefeuille neer en men koos tot zijn opvol- !gi^Mi«fleTi \a m hui* or

MLB | 1934 | | pagina 1